ECLI:NL:RVS:2026:4092
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000
Appellant is op 13 mei 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 9 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Appellant stelde in hoger beroep dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 mee zou moeten tellen bij de berekening van de maximale bewaringsduur volgens artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat dit niet het geval is, omdat het arrest van het Hof van Justitie van 5 maart 2026 (Aroja) alleen ziet op bewaring op grond van artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn en niet op artikel 59b Vw 2000.
De Afdeling verwijst ook naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie (Kadzoev) ter bevestiging van dit standpunt. Er is geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De bewaring wordt niet onrechtmatig geacht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant wordt bevestigd.