ECLI:NL:RVS:2026:4120

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202502477/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 AwbHuisvestingsverordening Den Haag 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar bestuurlijke boete huisvestingsverordening

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 12 februari 2024 een bestuurlijke boete van €10.000 op aan appellant wegens het in gebruik geven van een woning zonder huisvestingsvergunning. Appellant ontving het besluit niet tijdig en maakte op 10 juni 2024 bezwaar, dat het college niet-ontvankelijk verklaarde wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Appellant stelde dat de aangetekende post niet correct was bezorgd en dat geen afhaalbericht was achtergelaten, mede vanwege bekende problemen met postbezorging in de binnenstad. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht het bewijs en oordeelde dat appellant het vermoeden van correcte bezorging voldoende had ontzenuwd.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en bepaalde dat het college het bezwaar alsnog inhoudelijk moet behandelen binnen een gestelde termijn. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het college is opgedragen het bezwaar alsnog inhoudelijk te behandelen.

Uitspraak

202502477/1/A2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], gevestigd in [plaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/6701 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,00 wegens het overtreden van de Huisvestigingsverordening Den Haag 2023.
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.K. Bhadai, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.V. Benjamin, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Tijdens een controle op 3 oktober 2023 hebben inspecteurs geconstateerd dat [appellant] een woning aan de [locatie] in gebruik heeft gegeven zonder huisvestingsvergunning. Het college heeft hiervoor bij het besluit van 12 februari 2024 een bestuurlijke boete opgelegd. Dit besluit heeft het college aangetekend aan [appellant] verzonden. Na ontvangst van een aanmaning op 28 mei 2024 heeft [appellant] contact opgenomen met het college en vernam toen dat deze boete was opgelegd. Op 10 juni 2024 heeft [appellant] bezwaar gemaakt, dat het college niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend. Omdat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten, heeft het college de termijnoverschrijding als niet verschoonbaar mogen aanmerken.
Het hoger beroep
3.       [appellant] stelt dat de aangetekende post op 13 februari 2024 niet is aangeboden en dat de bezorger geen afhaalbericht heeft achtergelaten. Zij voert aan dat er al enige tijd problemen zijn met de postbezorging door PostNL en dit inmiddels algemeen bekend is. Dit bezorgadres bevindt zich bovendien in de drukke binnenstad waar parkeren lastig is en bezorgers daardoor adressen overslaan. [appellant] heeft de aanmaning, die niet-aangetekend is verzonden, wel ontvangen en heeft vervolgens gelijk contact met het college gezocht. [appellant] voert verder aan dat het college het boetebesluit tijdens de bezwaartermijn retour heeft ontvangen. Het college wist dus dat [appellant] geen kennis heeft genomen van het besluit en had het boetebesluit nogmaals moeten verzenden. Dat het dit niet heeft gedaan, is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [appellant] betoogt dat door het niet handelen van het college haar feitelijk het recht op een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming is ontnomen.
4.       Volgens het college heeft de bekendmaking van het boetebesluit op de voorgeschreven wijze plaatsgevonden, namelijk door de verzending per aangetekende post. Bovendien heeft het college in het conceptbesluit de mogelijkheid geboden om het definitieve besluit op een andere wijze te ontvangen. [appellant] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Volgens het college is [appellant] nalatig geweest en dient dit voor eigen rekening te komen. Het college stelt dat het alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om te zorgen dat het besluit [appellant] zou bereiken.
Beoordeling van het hoger beroep
5.       Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden.
5.1.    Uit het ’Track & Trace’-overzicht blijkt dat volgens het interne systeem van PostNL is gepoogd het stuk op het adres van [appellant] uit te reiken, maar dat de bezorging niet is gelukt. PostNL heeft het stuk naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. De Afdeling gaat er daarom in beginsel van uit dat door PostNL, overeenkomstig de handelswijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, een afhaalbericht bij [appellant] is achtergelaten.
6.       Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden.
6.1.    [appellant] heeft consistent en stellig de ontvangst van een afhaalbericht van PostNL ontkend. Daartoe betoogt zij dat ook het versturen van het voornemen in november niet op regelmatige wijze is verlopen. Dat er in de binnenstad veel problemen zijn met bezorging van aangetekende post is inmiddels algemeen bekend. Er is weinig gelegenheid tot parkeren en dus worden adressen overgeslagen. Het tijdverloop zoals uit het Track&Trace-overzicht volgt zou, volgens [appellant], net kunnen passen, maar [appellant] betwijfelt of er een serieuze poging tot bezorging heeft plaatsgevonden. Vanaf het PostNL depot is het een rit van ongeveer 15 kilometer. Tussen het vertrek vanaf het depot en de onsuccesvolle poging is net iets meer dan een half uur verstreken. Dit zou betekenen dat de bezorger rechtstreeks en zonder vertraging naar het adres is gereden en gepoogd heeft het stuk te bezorgen. Tot slot wijst [appellant] op het feit dat zij, zodra zij per gewone post op 31 mei 2024 een brief over een boeteschikking ontving, direct contact heeft opgenomen met het college om de stukken op te vragen.
6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] het vermoeden voldoende ontzenuwd dat de aangetekend verzonden brief op regelmatige wijze is aangeboden. Door te oordelen dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen afhaalbericht is bezorgd heeft de rechtbank onvoldoende blijk gegeven van de huidige, gewijzigde, maatstaf als het gaat om de bezorging van aangetekende post. Dat [appellant] had kunnen verzoeken om verzending per e-mail doet daar niet aan af. Dat er niet meer van kan worden uitgegaan dat PostNL volgens haar vaste werkwijze aangetekende post bezorgt, maakt niet dat het niet kiezen voor een alternatieve manier verzending een verwijt aan het adres van [appellant] kan opleveren.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, verklaart de Afdeling het beroep gericht tegen het besluit van 14 juni 2024 gegrond en vernietigt zij dit besluit. Dit betekent dat het college het bezwaar van [appellant] alsnog inhoudelijk moet behandelen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
8.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/6701;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 14 juni 2024, kenmerk B.2.24.1900.001;
V.       draagt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.      bepaalt dat tegen het te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van totaal € 950,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
284-1043