ECLI:NL:RVS:2026:4136

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202404131/1/R4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Hoekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging wijzigingsplan Broeksteeg 7 Tricht wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel

Het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe stelde op 23 april 2024 het wijzigingsplan 'Broeksteeg 7 Tricht' vast, waarbij de bestemming van een perceel van agrarisch naar bedrijf met functieaanduiding opslag werd gewijzigd. Appellanten uit de omgeving van het plangebied maakten bezwaar tegen deze vaststelling en stelden beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het plan onder het overgangsrecht van de Omgevingswet valt, waardoor het oude recht van toepassing is. Het college had onvoldoende onderzoek verricht naar de ruimtelijke gevolgen van de opslagfunctie, terwijl het plan niet duidelijk maakte dat het alleen ging om opslag van grond en zand. Hierdoor is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

Omdat het betoog van appellanten slaagde, werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het college werd opgedragen het besluit binnen vier weken te verwerken in de landelijke voorziening. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.

Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan Broeksteeg 7 Tricht is vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Uitspraak

202404131/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Tricht, gemeente West Betuwe,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 23 april 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Broeksteeg 7 Tricht" (het plan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen en Veehouderij De Rottenburg hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 22 april 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door D.H.C. van Oosten en A. Winkelman, zijn verschenen. Verder is op zitting Veehouderij De Rottenburg, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 19 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Veehouderij De Rottenburg is eigenaar van het perceel aan de Broeksteeg 7 in Tricht. Het perceel had op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2022" (het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden veehouderij". Het plan verandert de bestemming in "Bedrijf" met de functieaanduiding "opslag".
[appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied. Zij zijn het niet eens met de vaststelling van het plan.
Toetsingskader
3.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
Beroepsgronden
4.       [appellant] en anderen betogen onder verwijzing naar hun zienswijze dat het college het plan niet had mogen vaststellen, omdat de benodigde onderzoeken voor het mogelijk maken van opslag ontbreken.
4.1.    Artikel 5.1 van de planregels van het bestemmingsplan luidt:
"De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. aan het buitengebied gebonden niet-agrarische bedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - aan het buitengebied gebonden’ […];
b. niet aan het buitengebied gebonden niet-agrarische bedrijven en aan het buitengebied gebonden bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - niet aan het buitengebied gebonden’ […];
[…]
g. opslag van grond en zand uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’;
[…]."
4.2.    Aan het plangebied is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Het plangebied heeft op de verbeelding een bouwvlak en aan het hele plangebied is de functieaanduiding "opslag" toegekend. De Afdeling constateert dat, hoewel het college op zitting heeft verklaard te hebben beoogd te voorzien in een opslagbedrijf dat niet alleen is gericht op de opslag van grond en zand, dit niet volgt uit het besluit van 23 april 2024. Het perceel heeft namelijk in de verbeelding van het plan niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aan het buitengebied gebonden" of "specifieke vorm van bedrijf - niet aan het buitengebied gebonden" gekregen.
Het betoog van [appellant] en anderen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de in het plan voorziene opslag is gelet op het ontbreken van onderzoeken naar dit gebruik terecht voorgedragen. De ruimtelijke gevolgen van de opslag zijn niet zorgvuldig onderzocht.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college het plan in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt.
4.3.    Omdat het betoog slaagt, hoeven de overige gronden niet meer besproken te worden.
Conclusie
5.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 23 april 2024 moet worden vernietigd.
6.       De Afdeling ziet aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
7.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe van 23 april 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Broeksteeg 7 Tricht";
III.      draagt het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
IV.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 47,88, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1194