ECLI:NL:RVS:2026:4144

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202400249/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Bouwbesluit 2012Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek funderingsgebrek keldermuur Utrecht

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees een verzoek van appellant af om handhavend op te treden tegen het ontbreken van een constructief veilige fundering onder de keldermuur van het pand aan de [locatie A]. Appellant betoogde dat sprake was van verzakking en scheefstand die de grenswaarden van NEN 8707 overschreed, en dat een bodemonderzoek noodzakelijk was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank dat de verzakking binnen normale grenzen viel en niet duidde op funderingsgebreken. Het college had aannemelijk gemaakt dat de keldermuur voldeed aan artikel 2.6 van het Bouwbesluit.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat niet aannemelijk was dat deze procedure extra spanning of frustratie had veroorzaakt. De Afdeling bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

202400249/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 30 november 2023 in zaak nr. 22/3807 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2021 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het ontbreken van een constructief veilige fundering onder de keldermuur van het pand aan de [locatie A] aan de zijde van [locatie B] in Utrecht afgewezen.
Bij besluit van 27 september 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit aangevuld.
Bij uitspraak van 30 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo en het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) is gedaan op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Bouwbesluit, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding en voorgeschiedenis
2.       [appellant] is eigenaar van het pand [locatie C] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie A] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie C] en [locatie A], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie C]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202401101/1/R4, 202204378/1/R4, 202306418/1/R4, 202305714/1/R4, 202500274/1/R4, 202502500/1/R4, 202406744/1/R4 en 202405945/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
3.       [appellant] heeft het college op 1 oktober 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen het ontbreken van een constructief veilige fundering onder de keldermuur van [locatie A] aan de zijde van [locatie B] in Utrecht. [appellant] vreest dat het ontbreken van een constructief veilige fundering van [locatie A] verstrekkende gevolgen kan hebben voor de constructieve veiligheid van zijn eigen pand.
In het besluit van 10 februari 2021 heeft het college uiteengezet dat al een handhavingstraject is gestart ten aanzien van [locatie A], zodat met het handhavingsverzoek van 1 oktober 2020 sprake is van een herhaald verzoek om handhaving. Bij besluit van 27 september 2022 heeft het college het verzoek alsnog inhoudelijk beoordeeld en onder aanvulling van de motivering geconcludeerd dat het besluit van 10 februari 2021 om niet handhavend op te treden in stand kon worden gelaten. In het besluit van 27 september 2022 staat dat volgens het college geen overtreding bestaat, omdat geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor scheefstand (relatieve rotatie), de zakkingssnelheid, het verschil in zakkingssnelheid en de toename van de relatieve rotatie als bedoeld in NEN 8707.
Is sprake van een overtreding van het Bouwbesluit?
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de door hem gestelde overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit op [locatie A]. Volgens hem is onder de keldermuur van dat pand aan de zijde van [locatie B] geen sprake van een constructief veilige fundering. [appellant] wijst er hierbij op dat [locatie A], aan de zijde van [locatie C], bij de voorgevel ongeveer 4,5 cm is verzakt en ter hoogte van de achtergevel ongeveer 6,5 cm. Volgens hem blijkt daaruit dat sprake is van verzakking van [locatie A] en dat als gevolg van deze verzakking sprake is van scheefstand van [locatie C]. Volgens [appellant] wordt door deze scheefstand de grenswaarde van de relatieve rotatie van 1,5 cm per strekkende meter uit NEN 8707 overschreden.
Daarnaast betoogt [appellant] dat het college om de verdere verzakking te beoordelen een onderzoek naar de bodemgesteldheid had moeten uitvoeren.
4.1.    Het college heeft toegelicht dat het feit dat sprake is van verzakking van - naar [appellant] stelt - ongeveer 6 cm over een periode van ongeveer 140 jaar, niet zonder meer een aanwijzing is voor funderingsproblemen. Het college heeft te kennen gegeven dat enige verzakking een normaal verschijnsel is bij oudere panden in de binnenstad van Utrecht. Verzakking is dan voornamelijk een gevolg van zetting. Uit de monitoring van het zakkingsgedrag door de jaren heen blijkt dat verzakking veel voorkomt bij oudere panden in de binnenstad van Utrecht. Het college heeft verder toegelicht dat uit meetresultaten volgt dat het zakkingsgedrag van [locatie A] gelijkmatig is en er geen sprake is van scheefstand. Zoals de rechtbank heeft overwogen is niet gebleken dat de mate van scheefstand niet binnen de daarvoor in NEN 8707 opgenomen grenswaarden blijft. Er zijn ook geen andere aanwijzingen voor gebreken aan de fundering van [locatie A], zodat een onderzoek naar de bodemgesteldheid, anders dan [appellant] wenst, volgens het college niet noodzakelijk was.
Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de door [appellant] gestelde verzakking niet is veroorzaakt door gebreken aan de fundering. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de keldermuur van [locatie A] aan de zijde van [locatie B] voldoet aan artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit, zodat het college terecht niet is overgegaan tot handhavend optreden.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
5.       [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals uit overweging 2 volgt, ligt de oorsprong van dit conflict in handhavend optreden dat onderdeel is van de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure daarom worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Het is niet aannemelijk dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
7.       Het college hoeft geen proceskosten van [appellant] te vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096