ECLI:NL:RVS:2026:4150

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202307116/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3 WaboArt. 3:2 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit handhaving en omgevingsvergunning wegens strijd met bestemmingsplan

In deze zaak gaat het om een geschil tussen een inwoner van Capelle aan den IJssel en het college van burgemeester en wethouders over het zonder vergunning bouwen van een aanbouw en veranda op een perceel. De appellant verzocht handhavend op te treden tegen de overtreding van de Wabo en het bestemmingsplan, maar het college wees dit af en verleende later alsnog een omgevingsvergunning voor de veranda.

De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant gegrond en vernietigde de besluiten, maar het college stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat de aanbouw vergunningvrij is gebouwd en dat het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek niet zorgvuldig is voorbereid. De omgevingsvergunning voor de veranda blijft echter in stand omdat deze vergunning correct is verleend.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de procedure met 1 jaar en 8 maanden is overschreden, waarvoor een schadevergoeding van € 2.000,- wordt toegekend. Het college en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De Afdeling vernietigt het besluit van 14 december 2023 over het handhavingsverzoek en bevestigt de omgevingsvergunning, waarna het college opnieuw moet beslissen over het handhavingsverzoek met inachtneming van de uitspraak.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek, de omgevingsvergunning voor de veranda blijft in stand, en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202307116/1/R3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel,
2. [appellant sub 2], wonend in Capelle aan den IJssel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023 in zaken nrs. 21/3678 en 21/5162 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2020 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw op het perceel [locatie 1] in Capelle aan den IJssel door [partij], afgewezen.
Bij besluit van 18 mei 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten.
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [partij] verleend voor het bouwen van een veranda aan de achtergevel op het perceel [locatie 1].
Bij besluit van 24 augustus 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen de besluiten over de afwijzing van zijn handhavingsverzoek en de verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard en de besluiten van 18 mei 2021 en 24 augustus 2021 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
[partij] heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.
Bij besluit van 14 december 2023 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [appellant sub 2] beslist. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten. Het college heeft bij besluit van 14 december 2023 het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard.
[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 december 2023.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar het college vertegenwoordigd door mr. S Yavuzyigitoglu en mr. R.I. Smit, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J. de Buck-Hartman, advocaat in Den Haag, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. A.B. Groeneveld, rechtsbijstandsverlener in Zoetermeer, als partij gehoord.
De Afdeling heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het college opgedragen om metingen van de bebouwing op het perceel [locatie 1] te laten uitvoeren.
Het college en [appellant sub 2] hebben na het verrichten van deze metingen nadere stukken ingediend.
Geen van de partijen heeft daarna (binnen de gestelde termijn) verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 5 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       [partij] woont op het perceel [locatie 1] in Capelle aan den IJssel. In 2020 heeft hij een tegen zijn woning gebouwde aanbouw afgebroken en een nieuwe aanbouw teruggebouwd. Daarnaast heeft hij een veranda aan die aanbouw gebouwd.
4.       [appellant sub 2] woont op [locatie 2] in Capelle aan den IJssel, naast [partij]. [appellant sub 2] heeft het college bij brief van 1 oktober 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Middelwatering", omdat het maximaal toegestane oppervlak aan bijbehorende bouwwerken op het perceel van [partij] zou worden overschreden. Bij besluit van 23 november 2020 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] afgewezen.
5.       Het college heeft later geconstateerd dat de veranda, in strijd met het bestemmingsplan, deels buiten het bouwvlak is gebouwd. Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de veranda en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
6.       De rechtbank heeft de beroepen tegen zowel het besluit over handhaving als het besluit over de omgevingsvergunning gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Het college kan zich daar niet in vinden en heeft daarom hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, omdat de rechtbank volgens hem ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Hoger beroep college handhavingsverzoek
7.       Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de voorbereiding op het besluit over het handhavingsverzoek de benodigde kennis en relevante feiten waren verzameld om vast te stellen dat geen sprake was van een overtreding, voor zover het gaat over de gesloopte en weer opgebouwde aanbouw. Daarover voert het college aan dat uit de bestektekening die hoort bij een bouwvergunning uit 1993 blijkt welke afmetingen de gesloopte aanbouw had en uit de tekeningen bij de aanvraag voor de veranda blijkt welke afmetingen de aanbouw nu heeft. Volgens het college kan daaruit worden afgeleid dat de aanbouw is gebouwd op dezelfde locatie als de gesloopte aanbouw en dat de maten van de nieuwe aanbouw niet groter, maar juist kleiner zijn dan de maten van de gesloopte aanbouw. Om die reden bestond volgens het college geen bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de aanbouw exclusief de veranda, omdat de aanbouw niet in strijd is met artikel 26.2, onder a, onder 1, van de planregels en die aanbouw daardoor op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij kon worden gebouwd.
7.1.    De gronden van het perceel [locatie 1] hebben in het bestemmingsplan "Middelwatering", voor zover relevant, de bestemming "Wonen" en de dubbelstemming "Waarde - Beschermd dorpsgezicht".
Artikel 14.2.2 van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
[…];
b. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder i;
[…]."
Artikel 21.2.2 luidt:
"Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden gelden de volgende bepalingen:
a. het bij de woning behorende achtererfgebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen.
[…]."
Artikel 26.2 luidt:
"a. Voor een bouwwerk, dat krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel middels een verleende vergunning gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan:
1. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen worden aangehouden als ten hoogste toelaatbaar;
b. Ingeval van herbouw is lid a. uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
[…]."
7.2.    De Afdeling stelt vast dat de aanbouw, zonder de veranda, binnen het bouwvlak ligt. Dit betekent dat de aanbouw in overeenstemming is met artikel 14.2.2, aanhef en onder b, van de planregels. De aanbouw voldoet echter niet aan artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, omdat de aanbouw een oppervlakte heeft van meer dan 30 m2. Dat is ook niet in geschil. Artikel 26.2 van de planregels vult echter de bouwmogelijkheden van hoofdstuk 2, en dus die van artikel 21.2.2 van de planregels, aan. Op grond van artikel 26.2, onder a, van de planregels gelden de bestaande maten van een bouwwerk, die meer bedragen dan hoofdstuk 2 voorschrijft, als maximale maten, mits dat bouwwerk op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan krachtens de Wabo aanwezig was of dat bouwwerk nog niet aanwezig was, maar op grond van een verleende omgevingsvergunning gebouwd zou kunnen worden. Het college heeft niet gesteld dat het gaat om een bouwwerk dat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan vergunningvrij, en dus krachtens de Wabo, aanwezig was of dat er een omgevingsvergunning was verleend voor een nog niet gebouwd bouwwerk. De Afdeling ziet zich gelet daarop gesteld voor de vraag of voor het aanwezige bouwwerk, in dit geval de oude aanbouw, een omgevingsvergunning was verleend. De Afdeling stelt vast dat de oude aanbouw, zonder de veranda, ten tijde van de inwerkingtreding van het plan in 2015 weliswaar aanwezig was, maar dat niet kan worden vastgesteld of daarvoor ook een omgevingsvergunning was verleend. Het college heeft namelijk geen omgevingsvergunning overgelegd. Daarnaast blijkt uit de door het college overgelegde bestektekening niet dat die hoort bij een omgevingsvergunning die voor de aanbouw was verleend. Op die tekening staat alleen een stempel waaruit blijkt dat deze behoort bij een aanvraag voor een bouwvergunning. Dit betekent dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat voor het ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige bouwwerk een omgevingsvergunning was verleend, zodat niet duidelijk is of de aanbouw in overeenstemming is met artikel 26.2 van de planregels. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Hoger beroep college omgevingsvergunning
8.       Het college betoogt dat onduidelijk is op basis van welke motivering de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het besluit over de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de veranda onzorgvuldig is.
8.1.    De rechtbank heeft onder 12.3 overwogen dat niet duidelijk is wat de locatie en afmetingen van het gesloopte bouwwerk en de nieuwbouw zijn, omdat het college geen duidelijke tekeningen heeft overgelegd. Daardoor heeft het college volgens de rechtbank de eventuele strijd met artikel 26.2 van de planregels niet kunnen vaststellen en is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
8.2.    De Afdeling stelt vast dat de aanvraag om een omgevingsvergunning, gelet op het aanvraagformulier en de daarbij gevoegde tekeningen, enkel ziet op de bouw van de veranda en het gebruik van bouwwerken of gronden in strijd met het bestemmingsplan. In de projectomschrijving van de aanvraag staat dat een luifel aan de achtergevel van [locatie 1] wordt gebouwd. Verder staat onder "De bouwwerkzaamheden" dat sprake is van een nieuw bouwwerk in de vorm van een luifel. Op de bij de aanvraag behorende tekeningen is bovendien aangegeven hoe de nieuwe situatie met luifel verandert ten opzichte van de bestaande situatie zonder luifel. Daarbij is de aanbouw als een bestaand bouwwerk weergegeven. Daardoor blijkt naar het oordeel van de Afdeling onmiskenbaar op welke onderdelen van het bouwplan, namelijk de veranda, de aanvraag ziet.
Gelet op artikel 26.2, onder a, van de planregels is dat artikel van belang bij een bouwwerk dat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig was, in uitvoering is of middels een verleende vergunning gebouwd kan worden. De veranda waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet al aanwezig, in uitvoering of vergund. Er is ook niet gesteld dat er op de locatie van de veranda een ander bouwwerk aanwezig of in uitvoering was, of dat een omgevingsvergunning was verleend voor een ander bouwwerk op de locatie van de veranda. Gelet op het voorgaande komt artikel 26.2 van de planregels voor de beoordeling van de omgevingsvergunning voor de veranda geen betekenis toe. Door enkel te verwijzen naar het voor de aanvraag niet van belang zijnde artikel 26.2 van de planregels, heeft de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt waarop het oordeel dat het besluit over de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de veranda onzorgvuldig is, is gebaseerd.
Het betoog slaagt.
9.       Gelet op het voorgaande zal het hoger beroep gegrond worden verklaard en dient de uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2021 gegrond is verklaard, te worden vernietigd. De Afdeling zal de beroepsgronden van [appellant sub 2] die de rechtbank onbesproken heeft gelaten alsnog beoordelen.
Beroep [appellant sub 2] tegen het besluit van 24 augustus 2021
Ingetrokken beroepsgronden
10.     Op de zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden over het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur ingetrokken, zodat de Afdeling niet op die gronden zal ingaan.
Erfgrens
11.     Over het betoog van [appellant sub 2] dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen, omdat een deel van de veranda is voorzien over de erfgrens, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 2] heeft bij brief van 17 februari 2026 laten weten dat er gelet op de door het Kadaster nader uitgevoerde metingen, niet langer een verschil van inzicht bestaat over de vraag of er over de erfgrens is gebouwd. Gelet daarop zal de Afdeling zijn betoog niet bespreken.
Splitsen bouwplan
12.     [appellant sub 2] betoogt dat de aanvraag en de beoordeling van die aanvraag door het college onvolledig zijn. Daarover voert hij aan dat de aanbouw en de veranda onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dit blijkt volgens hem alleen al uit de gelijktijdig uitgevoerde bouwwerkzaamheden. Dat betekent volgens [appellant sub 2] dat de aanvraag op de gehele nieuwbouw inclusief de aanbouw had moeten zien en het college de gehele nieuwbouw had moeten beoordelen.
12.1.  Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Naar vaste rechtspraak kan splitsing van een bouwplan in beginsel niet zonder wijziging van de aanvraag. Een bouwplan moet daarbij als regel als één geheel worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst als het bestaat uit delen die in bouwkundig en functioneel opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden.
12.2.  Zoals onder 8.2 al is overwogen ziet de aanvraag alleen op de veranda. [partij] heeft een aanvraag ingediend voor de bouw van een overdekte veranda tegen een aanwezig zijnde aanbouw. De Afdeling overweegt dat de aanbouw bouwkundig is te onderscheiden van de veranda. De aanbouw kan los van de veranda worden uitgevoerd en is een afzonderlijke ruimte ten opzichte van de veranda. Dat de veranda voor zijn steun deels afhankelijk is van de aanbouw, doet daar niet aan af. Verder zijn de aanbouw en veranda ook in functioneel opzicht niet met elkaar verbonden, omdat de aanbouw en veranda los van elkaar te gebruiken zijn en een andere functie hebben. Gelet daarop kon de aanbouw buiten de aanvraag worden gelaten, zodat het college de aanbouw buiten beschouwing heeft mogen laten bij de verlening van de omgevingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep
13.     [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. Volgens [appellant sub 2] is de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als de rechterlijke fase overschreden. [appellant sub 2] verzoekt de Afdeling hem een bedrag toe te kennen wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
13.1.  De Afdeling overweegt dat [appellant sub 2] bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet over dat verzoek uitgelaten.
Het betoog slaagt.
13.2.  Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 2] aan het einde van deze uitspraak inhoudelijk beoordelen.
Conclusie (incidenteel) hoger beroep
14.     Het hoger beroep van het college is gegrond. Gelet op wat onder 8.2 is overwogen, zal de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover daarbij het besluit van 24 augustus 2021 is vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op wat onder 12.2 is overwogen, het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 24 augustus 2021 alsnog ongegrond verklaren.
Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Gelet op wat onder 13.1 is overwogen, zal de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van [appellant sub 2] om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige, voor zover aangevallen, gelet op wat de onder 7.2 is overwogen, bevestigd.
Besluit van 14 december 2023 - omgevingsvergunning
15.     Bij besluit van 14 december 2023 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2021 waarbij het college aan [partij] een omgevingsvergunning heeft verleend. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, en de uitspraak van de rechtbank voor zover het gaat om het besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning zal worden vernietigd, komt de grondslag voor dat besluit te ontvallen, zodat het alleen al daarom dient te worden vernietigd.
Besluit van 14 december 2023 - handhaving
16.     Bij besluit van 14 december 2023 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 november 2020 waarbij het college zijn handhavingsverzoek heeft afgewezen. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten.
17.     Dit besluit wordt, wordt gelet op artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Beroep tegen besluit 14 december 2023 - handhaving
18.     [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte zijn handhavingsverzoek heeft afgewezen, omdat het niet deugdelijk heeft onderzocht of de aanbouw in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat de aanbouw slechts vergunningvrij kan worden gebouwd op grond van artikel 3 van Pro bijlage II van het Bor, indien de aanbouw voldoet aan artikelen 21.2.2 en 26.2 van de planregels. Volgens [appellant sub 2] kan slechts worden vastgesteld of de aanbouw binnen het bestemmingsplan past, indien het college op basis van onderzoek concludeert wat de afmetingen en de precieze situering van het gesloopte bouwwerk en de nieuwbouw zijn.
18.1.  De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar wat onder 6 tot en met 6.2 is overwogen, dat het college nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een overtreding. Zonder nader onderzoek kan niet worden vastgesteld of de aanbouw voldoet aan de regels van het bestemmingsplan en om die reden vergunningvrij kan worden gebouwd op grond van artikel 3 van Pro bijlage II van het Bor. Dat betekent dat het besluit van 14 december 2023 in dit opzicht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
Het betoog slaagt.
18.2.  Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] geen inhoudelijke bespreking.
Conclusie besluit 14 december 2023- handhaving
19.     Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 14 december 2023, waarbij zijn handhavingsverzoek is afgewezen, is gelet op wat onder 18.1 is overwogen, gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb te worden vernietigd.
Wat betekent deze uitspraak?
20.     Gelet op wat onder 14 is overwogen blijft de aan [partij] bij besluit van 26 mei 2021 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de veranda in stand.
Daarnaast betekent deze uitspraak dat het college met inachtneming daarvan en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 23 november 2020 over het afgewezen handhavingsverzoek moet beslissen. De Afdeling geeft mee dat het college daarbij moet bezien of legalisering van de aanbouw mogelijk is.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
21.     [appellant sub 2] heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
21.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
21.2.  Hier is sprake van meer zaken van één belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk een verzoek om handhaving en een verleende omgevingsvergunning, waarbij feitelijk dezelfde bebouwing onderwerp van geschil is. Beide zaken zijn zowel bij de rechtbank als in hoger beroep gezamenlijk behandeld. In gevallen als deze wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijk behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,00 per half jaar gehanteerd (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:780). Nu de redelijke termijn in beide zaken niet tegelijkertijd is aangevangen, zal de Afdeling voor de bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift nemen als datum van aanvang van de redelijke termijn in beide zaken.
21.3.  Het college heeft het eerste bezwaarschrift van [appellant sub 2] tegen het besluit van 23 november 2020 ontvangen op 27 november 2020. De redelijke termijn is daarom op 27 november 2020 aangevangen. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en 8 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 11/20 deel aan de rechtbank en voor 9/20 deel aan de Afdeling worden toegerekend.
21.4.  De schadevergoeding wordt vastgesteld op € 2.000,00.
Proceskosten
22.     Het college moet de proceskosten die betrekken hebben op het incidenteel hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 14 december 2023 over het handhavingsverzoek vergoeden.
23.     De Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten die in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zijn opgekomen vergoeden. De Afdeling zal bij de berekening wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023 gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023 gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, voor zover daarbij:
- in zaak nr. 21/3678 het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 24 augustus 2021 van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel gegrond is verklaard;
- in zaak nr. 21/3678 het besluit van 24 augustus 2021 is vernietigd;
- niet op het verzoek van [appellant sub 2] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is beslist;
IV.      bevestigt deze uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;
V.       verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel van 24 augustus 2021, kenmerk 527565, ongegrond;
VI.      vernietigt het besluit van 14 december 2023, kenmerk 257565;
VII.     verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 14 december 2023 van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, kenmerk 370162, gegrond;
VIII.    vernietigt dat besluit;
IX.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen (€ 1.100,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 900,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);
XI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
884-1157