ECLI:NL:RVS:2026:4152
Raad van State
- Hoger beroep
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering beroep tegen ontheffing Wet natuurbescherming voor natuurproject Hagenbeek
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende aan het Waterschap Rijn en IJssel een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor maatregelen rondom het natuurgebied Hagenbeek, waaronder het dempen van watergangen waar beschermde soorten voorkomen. De ontheffing werd aanvankelijk verleend tot 30 juni 2025 en later verlengd tot 30 juni 2027.
Appellanten, natuurlijke personen en bedrijven, voerden beroep aan tegen deze besluiten, stellende dat hun belangen door de ontheffing worden geschaad. De rechtbank oordeelde dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb toepassing vindt, waardoor appellanten niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet opkomen voor hun eigen belang. Ook werd geoordeeld dat er geen inbreuk is op artikel 8 EVRM Pro.
In hoger beroep betoogden appellanten dat het relativiteitsvereiste onjuist werd toegepast en dat hun belangen wel degelijk geraakt worden, mede door de nabijheid van het natuurgebied en mogelijke verspreiding van beschermde soorten. Tevens werd aangevoerd dat de toegang tot de rechter door het relativiteitsvereiste wordt beperkt in strijd met artikelen 6 en 13 EVRM.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het relativiteitsvereiste terecht is toegepast en dat de belangen van appellanten onvoldoende verweven zijn met het beschermde belang. De beperking van toegang tot de rechter is proportioneel en raakt de kern van het recht niet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming wordt bevestigd.