ECLI:NL:RVS:2026:4153
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- N.H. van den Biggelaar
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunningplicht voor bedrijfswoning en bedrijfshal wegens verstoring openbare orde en leefbaarheid
De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn hebben op 20 juli 2022 twee besluiten genomen waarbij een bedrijfswoning en een bedrijfshal aan een locatie in Apeldoorn zijn aangewezen als vergunningplichtig volgens artikel 2:65b van de Algemene Plaatselijke Verordening 2014 (APV). Dit hield in dat het verboden is zonder vergunning goederen en diensten aan te bieden, verkopen of leveren in deze panden. De eigenaren, Compromis Vastgoed B.V. en een particuliere eigenaar, maakten bezwaar tegen deze besluiten, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van de eigenaren eveneens ongegrond.
In hoger beroep betoogden de eigenaren dat de openbare orde niet onder druk stond en dat het college onterecht oude feiten, zoals een sluiting in 2012 en politie-invallen bij nabijgelegen autobedrijven, had meegewogen. Ook voerden zij aan dat de maatregelen niet evenredig waren en dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door hun strafrechtelijke verleden niet mee te wegen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat de leefbaarheid en openbare orde rondom de panden onder druk staan, mede gelet op eerdere sluitingen, vondsten van harddrugsgerelateerde stoffen en een vuurwapen in de bedrijfswoning.
De Afdeling stelde vast dat het college ook de nabijheid van andere panden mocht betrekken bij de beoordeling. Verder was het opleggen van een vergunningplicht een passende en evenwichtige maatregel om een onveilig ondernemersklimaat tegen te gaan, mede omdat de eigenaren geen maatregelen hadden genomen om herhaling te voorkomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen vier jaar was afgerond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanwijzing van de panden als vergunningplichtig wordt bevestigd.