ECLI:NL:RVS:2026:4174
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die op 6 april 2022 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 29 augustus 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld. Gelet op de aangevoerde argumenten acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Daarbij zijn de belangen van de minister en verzoeker tegen elkaar afgewogen.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af. Tevens hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D.A. Verburg op 15 juli 2026.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat het hoger beroep naar voorlopig oordeel niet zal slagen.