ECLI:NL:RVS:2026:4175
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en verzoek opvang asielzoeker
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 18 maart 2026 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 25 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij verzoeker wilde voorkomen dat hij zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en tevens opvang en verstrekkingen wilde ontvangen. Uit het dossier blijkt echter dat verzoeker uitstel van vertrek heeft tot 1 mei 2027 vanwege medische redenen.
Gezien dit uitstel van vertrek concludeert de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom is het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 door voorzieningenrechter A. Kuijer.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.