ECLI:NL:RVS:2026:4184
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht afgewezen
Betrokkene diende op 11 februari 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie legde haar een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat er een geringste aanwijzing voor mensenhandel bestond, waardoor de maatregel onrechtmatig was vanaf 15 februari 2026.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de verklaring van betrokkene over haar reisbegeleider, een predikant uit Zuid-Afrika, onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van mensenhandel. Er ontbraken concrete aanwijzingen voor uitbuiting of een overeengekomen tegenprestatie.
Verder stelde betrokkene dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege haar medische situatie, maar de minister toonde aan dat adequate medische voorzieningen aanwezig zijn en betrokkene hiervan gebruikmaakt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar wees het beroep alsnog af en verwierp het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.