ECLI:NL:RVS:2026:419

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000062
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59b lid 3 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen bewaring en verlenging maatregel

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 5 december 2025 in bewaring en verlengde deze maatregel op 15 december 2025 met maximaal drie maanden. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 30 december 2025 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring niet-ontvankelijk is omdat tegen dit besluit geen hoger beroep openstaat volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Daarnaast stelde appellant geen inhoudelijke gronden aan het hoger beroep ten grondslag, waardoor de Afdeling het overige hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 28 januari 2026.

Uitkomst: Hoger beroep tegen verlenging bewaring is onbevoegd en het overige hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

BRS.26.000062
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 30 december 2025 in zaak nr. NL25.61247 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister de termijn van de aan betrokkene opgelegde maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste drie maanden.
Bij uitspraak van 30 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De uitspraak van de rechtbank gaat onder meer over het verlengen van de maatregel van bewaring (artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.        De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
3.        Het hoger beroep richt zich voor het overige niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
4.        Het hoger beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het verlengen van de maatregel van bewaring;
II.        verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
347-