ECLI:NL:RVS:2026:4194

Raad van State

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 september 2024 een aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Vervolgens heeft de minister op 13 maart 2026 een nieuwe aanvraag van appellant niet in behandeling genomen. De rechtbank Den Haag heeft op 28 april 2026 het beroep van appellant tegen deze niet-in- behandelingneming ongegrond verklaard.

Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure heeft de minister meegedeeld dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft. De Afdeling concludeert hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.

Op grond hiervan verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 20 juli 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

BRS.26.002228
Datum uitspraak: 20 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.15052 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de vreemdeling heeft gereageerd.
Overwegingen
1.        De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling heeft laten weten geen contact meer met hem te hebben. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026
936-1203