BRS.25.001135
Datum uitspraak: 7 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36214 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij had moeten volstaan met een lichter middel. De minister heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een andere, minder dwingende maatregel. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op het onttrekkingsrisico dat volgt uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Zoals de minister heeft toegelicht, leidt betrokkene een zwervend bestaan. Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat zij in bewaring afstand heeft moeten doen van haar hond en met haar hond wil terugkeren naar Polen. De minister klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene is gehecht aan haar hond leidt tot een sterke vermindering van het risico op onttrekking. Zij heeft er namelijk op de zitting bij de rechtbank terecht op gewezen dat betrokkene eerder de gelegenheid heeft gehad om zelfstandig met haar hond te vertrekken, maar dat toen heeft nagelaten. De gehechtheid aan haar hond staat er bovendien niet aan in de weg dat betrokkene bij een minder dwingende maatregel dan bewaring tezamen met haar hond haar verblijf in Nederland voortzet en zich aan het toezicht onttrekt. Dat de minister geen garantie kon geven dat betrokkene vanuit bewaring met haar hond naar Polen zou kunnen vertrekken, doet evenmin afbreuk aan de noodzaak om de maatregel op te leggen te behoeve van het vertrek van betrokkene. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36214;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026
918-1161