ECLI:NL:RVS:2026:420
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod en vertrekopdracht Europese Unie na hoger beroep
Appellant werd bij besluit van 15 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 29 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, en het hogerberoepschrift bevat geen nieuwe vragen die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer op 28 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod en de vertrekopdracht worden bevestigd.