ECLI:NL:RVS:2026:4214

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.000122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting naar Algerije

De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 22 december 2025 in bewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 5 januari 2026 de bewaring ophefte en de minister veroordeelde tot schadevergoeding en proceskosten.

De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede vanwege het ontbreken van een reactie op de laissez-passeraanvraag sinds mei 2023 en het gebrek aan concrete aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten spoedig zouden meewerken.

Wel stelde de Afdeling vast dat de rechtbank ten onrechte twee punten toekende voor proceskosten, terwijl volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht slechts één punt voor het beroepschrift toekwam. De Afdeling vernietigde daarom dat deel van het vonnis en stelde de proceskostenvergoeding vast op € 943,00. De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding aan betrokkene wordt verminderd tot € 943,00, terwijl de overige onderdelen van het vonnis worden bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.000122
Datum uitspraak: 21 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 januari 2026 in zaak nr. NL25.62899 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat in Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in het specifieke geval van betrokkene geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. Voor betrokkene is op 16 mei 2023 een laissez-passeraanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Daarop is geen reactie gekomen. Anders dan de minister in zijn eerste grief betoogt, is de enkele omstandigheid dat de laissez-passeraanvraag zo lang duurt niet bepalend voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat. Er moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval. Hoewel in het nadeel van betrokkene meeweegt dat hij geen actieve en volledige medewerking verleent aan zijn terugkeer naar Algerije, is er in deze zaak geen enkel concreet aanknopingspunt waaruit blijkt dat de Algerijnse autoriteiten binnen afzienbare tijd een laissez-passer zullen verlenen. Ondanks maandelijks rappelleren door de minister is er sinds 16 mei 2023 nog altijd geen presentatie gepland voor betrokkene. Evenmin heeft de minister kunnen toelichten dat er contact is geweest met de Algerijnse autoriteiten over betrokkene. Nu de laissez-passeraanvraag al meer dan drie jaar loopt, is alleen maandelijks rappelleren niet meer voldoende. Door de lange duur van de laissez-passeraanvraag ontbreekt onder deze specifieke omstandigheden voor betrokkene zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. De grief faalt.
2.        In de tweede grief klaagt de minister terecht dat de rechtbank bij de berekening van de proceskosten ten onrechte twee punten heeft toegekend: één voor het indienen van een beroepschrift en één voor het indienen van de beroepsgronden. Uit het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt namelijk dat voor het indienen van een beroepschrift één punt wordt toegekend. Betrokkene heeft op 23 december 2025 een beroepschrift ingediend dat geen inhoudelijke gronden bevat. Daarom moeten de op 31 december 2025 ingediende beroepsgronden worden geacht deel uit te maken van het eerder ingediende beroepschrift. Dit betekent dat de tweede grief slaagt.
Conclusie
3.        Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00. De Afdeling stelt vast dat dit € 934,00 moet zijn. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Omdat de maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De minister hoeft de proceskosten in hoger beroep niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 januari 2026 in zaak nr. NL25.62899, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00;
III.        bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 943,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026
644-1182