ECLI:NL:RVS:2026:4225

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
202502215/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afzien van invordering dwangsom wegens onevenredigheid bij overschrijding bijbehorende bouwwerken

Het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn legde aan [partij A] en [partij B] een last onder dwangsom op vanwege het overschrijden van het toegestane oppervlak van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken op hun perceel. Na een controle concludeerde het college aanvankelijk dat aan de last was voldaan en dat geen dwangsommen waren verbeurd. Appellanten waren het hier niet mee eens en verzochten om invordering van de dwangsom.

Het college wees dit verzoek af omdat het oppervlak bij nader inzien toch groter bleek dan toegestaan, maar het onevenredig vond om de dwangsom te innen. De rechtbank oordeelde dat het college dit standpunt mocht innemen. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze uitspraak.

De Afdeling overweegt dat het college voorafgaand aan de last onder dwangsom de volières op het perceel niet als bijbehorende bouwwerken heeft aangemerkt en appellanten erop mochten vertrouwen dat zij aan de last voldeden. Bovendien heeft het college kort daarna een nieuwe last opgelegd die wel in overeenstemming was met het bestemmingsplan en waaraan appellanten voldeden. Gezien deze omstandigheden was het college bevoegd om af te zien van invordering van de dwangsom. Proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het college terecht heeft afgezien van invordering van de dwangsom wegens onevenredigheid en het vertrouwen van appellanten.

Uitspraak

20250221 5/1/R3.
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Tweede Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 5 maart 2025 in zaak nr. 23/3872 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn.
Openbare zitting gehouden op 16 juli 2026 om 15:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. I.S. Ouwehand
Verschenen:
[appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat in Arnhem, het college, vertegenwoordigd door M. Essing en [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. E.F. van Beusekom, rechtsbijstandverlener;
Bij besluit van 26 oktober 2022, aangevuld bij besluit van 23 november 2022, heeft het college aan [partij A] en [partij B] een last onder dwangsom opgelegd, waarbij is bepaald dat als niet binnen de begunstigingstermijn aan de last is voldaan, zij een dwangsom verbeuren van € 1.500,- per week dat de overtreding niet is beëindigd met een maximum van € 15.000,-. Op 30 maart 2023 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht om tot invordering van de dwangsom over te gaan. Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college dit verzoek afgewezen. [appellant A] en [appellant B] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft met dit verzoek ingestemd en het bezwaarschrift aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als rechtstreeks beroep.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 5 maart 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, waarin het beroep van [appellant A] en [appellant B] ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak;
Gronden:
[partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie] (het perceel). Het college heeft hen op 26 oktober 2022 een last onder dwangsom opgelegd, omdat - onder meer - het oppervlak van de op het perceel staande bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan het voor het perceel geldende totale oppervlak van 150 m2. Naar aanleiding van een controle op 20 januari 2023 heeft het college [partij A] en [partij B] bij brief van 17 februari 2023 laten weten dat zij aan de last hebben voldaan en dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd. [appellant A] en [appellant B] waren het niet eens met de conclusie dat aan de last was voldaan en hebben het college verzocht om tot invordering van de (volgens hen) verbeurde dwangsom over te gaan. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 18 juli 2023 afgewezen. Volgens het college bedraagt het oppervlak van de op het perceel staande bijbehorende bouwwerken bij nader inzien toch meer dan het voor het perceel geldende totale oppervlak van 150 m2, waardoor een dwangsom is verbeurd, maar is het onevenredig om die dwangsom in te vorderen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen afzien van invordering.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat invordering van de verbeurde dwangsom onevenredig is. Uit correspondentie van het college aan [partij A] en [partij B] voorafgaand aan de oplegging van de last onder dwangsom blijkt dat het college de op het perceel aanwezige volières niet als bijbehorend bouwwerk heeft aangemerkt. Ook in de last onder dwangsom is dat niet gebeurd. Verder heeft het college [partij A] en [partij B], naar aanleiding van de bevindingen van een toezichthouder kort na afloop van de begunstigingstermijn medegedeeld dat zij aan de last hadden voldaan en dat er geen dwangsom was verbeurd. Onder deze omstandigheden mochten [partij A] en [partij B] erop vertrouwen dat de volières niet meetelden bij de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en dat zij aan de last hadden voldaan. Verder heeft het college kort nadat hem duidelijk werd dat het oppervlak van de bijbehorende bouwwerken op het perceel toch niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan, een nieuwe last onder dwangsom opgelegd aan [partij A] en [partij B] die inhoudt dat het oppervlak van de bijbehorende bouwwerken op het perceel tot maximaal 150 m2 moet worden teruggebracht (en waaraan [partij A] en [partij B] binnen de begunstigingstermijn hebben voldaan). Gelet op deze omstandigheden heeft het college kunnen afzien van invordering van de verbeurde dwangsom.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
752