ECLI:NL:RVS:2026:4232
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toekennen proceskosten in bewaringstelling
Appellant werd op 13 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring op 25 juni 2026 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank erkende dat er een gebrek kleefde aan de ophouding en de minister daarom in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld, ontbrak deze veroordeling in de beslissing. De overige grieven van appellant werden verworpen omdat deze geen vragen van algemeen belang bevatten.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de proceskostenveroordeling ontbrak en bevestigde de rest van de uitspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, een bedrag van € 2.082,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.