ECLI:NL:RVS:2026:4232

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003220
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toekennen proceskosten in bewaringstelling

Appellant werd op 13 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring op 25 juni 2026 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank erkende dat er een gebrek kleefde aan de ophouding en de minister daarom in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld, ontbrak deze veroordeling in de beslissing. De overige grieven van appellant werden verworpen omdat deze geen vragen van algemeen belang bevatten.

De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de proceskostenveroordeling ontbrak en bevestigde de rest van de uitspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, een bedrag van € 2.082,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitspraak

BRS.26.003220
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2026 in zaak nr. NL26.33212 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant klaagt in grief 3 terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat er een gebrek kleeft aan de ophouding en dat de minister daarom in de proceskosten wordt veroordeeld. De kosten bestaan uit het indienen van de schriftelijke beroepsgronden en het verschijnen op de zitting door de advocaat. Maar in de beslissing ontbreekt deze proceskostenveroordeling.
De grief slaagt.
2.        Wat appellant in de grieven 1, 2 en 4 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister daarbij niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2026 in zaak nr. NL26.33212, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.        bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.082,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
644-1204