ECLI:NL:RVS:2026:4233

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003286
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang aan asielzoeker

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 12 februari 2026 is afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft op 24 juni 2026 het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing gegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, mede vanwege prejudiciële vragen over Griekse statushouders die recent zijn gesteld. Omdat deze procedure zich niet leent voor dat nader onderzoek, wordt een voorlopige voorziening getroffen. Deze voorziening houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen ontvangt.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan op 22 juli 2026 door voorzieningenrechter M. den Heyer.

Uitkomst: Verzoeker wordt beschermd tegen uitzetting en krijgt opvang totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.003286
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2026 in zaak nr. NL26.9230 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        In het licht van de prejudiciële vragen die de Afdeling in haar uitspraak van 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3878, heeft gesteld over Griekse statushouders, vergt het hoger beroep nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
977