ECLI:NL:RVS:2026:425

Raad van State

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
202504810/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000Artikel 91, tweede lid, Vw 2000paragraaf C7/30.3.2.2 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel alleenstaande vrouw uit Somalië

Appellanten hebben bij besluiten van april 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de grieven over de geloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab en de persoonlijke benadering van appellant 2 niet leiden tot vernietiging van het vonnis. Wel slaagt de grief over appellant 1, een alleenstaande vrouw, die haar vrees voor terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt volgens de minister. De Afdeling stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd hoe appellant 1 zich zelfstandig kon handhaven, mede omdat onduidelijk is wat de rol van haar overleden schoonmoeder was en hoe lang zij zonder steun heeft geleefd.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de minister, en beveelt dat de minister nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.802,00.

Uitkomst: De Afdeling vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en beveelt nieuwe besluitvorming met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202504810/1/V3.
Datum uitspraak: 27 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], mede voor haar minderjarige kinderen, en [appellant 2] (samen appellanten),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL25.18159 en NL25.18160 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 11 april 2025 en 15 april 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.G.P. de Boon, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat appellanten in de eerste grief hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Problemen met Al-Shabaab
2.       Appellanten klagen in de tweede grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door appellanten gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Hoewel zij terecht aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister appellant 2 kon tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of hij persoonlijk benaderd is door Al-Shabaab, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister appellant 2 heeft kunnen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard. Zo heeft de minister zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van appellant 2 mocht worden verwacht dat hij concreet kon verklaren over de gebeurtenis die ten grondslag ligt aan zijn asielrelaas en dat hij in het algemeen summier en weinig gedetailleerd heeft verklaard.
2.1.    De tweede grief slaagt niet.
Alleenstaande vrouw
3.       Appellanten klagen in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant 1 haar vrees voor terugkeer, omdat zij een alleenstaande vrouw is, niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellanten betogen dat appellant 1 zich bij terugkeer naar Somalië niet zelfstandig kan handhaven. Zij wijzen erop dat appellant 1 in het verleden voor haar gezin heeft kunnen zorgen met de hulp van haar schoonmoeder en dat dit niet meer te doen was, nadat die was overleden.
3.1.    Zoals volgt uit paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vc 2000, verleent de minister in de regel aan alleenstaande vrouwen uit Somalië een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister verleent geen verblijfsvergunning aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Daarbij moet de minister onder andere meewegen of, en hoe, zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in Somalië.
3.2.    Partijen zijn het erover eens dat appellant 1 geen echtgenoot of grootfamilie in Somalië heeft waar zij voor opvang en bescherming op terug kan vallen en zij dus een alleenstaande vrouw is. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het gezien haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Volgens de minister heeft zij zich immers na de verdwijning van haar echtgenoot twee jaar zelfstandig staande kunnen houden zonder steun van haar grootfamilie. Appellanten klagen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de verklaringen van appellant 1 blijkt dat zij zich zelfstandig heeft kunnen handhaven in Somalië. Appellant 1 heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij bij haar schoonmoeder woonde en dat haar schoonmoeder is overleden na de verdwijning van haar zoon. Zij voedde haar kinderen na het overlijden van haar schoonmoeder en de vermissing van haar echtgenoot zelfstandig op, aldus appellant 1. De vraag die beantwoord dient te worden, is wat de rol is geweest van de schoonmoeder, toen zij nog leefde, in het dagelijks leven van appellant 1. Bovendien is het onduidelijk wanneer de schoonmoeder overleden is, waarmee ook onduidelijk is hoe lang de periode waarin appellant zich zonder haar steun staande hield, heeft geduurd. Daarmee is onvoldoende inzichtelijk of en hoe de minister de steun van de schoonmoeder heeft betrokken bij haar conclusie dat appellant 1 geen bescherming op basis van haar alleenstaande status behoeft. De Afdeling concludeert dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waaruit volgt dat appellant 1 zich zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in Somalië.
3.3.    De derde grief slaagt.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat onder 3.1 en 3.2 is overwogen, zijn de beroepen gegrond en vernietigt de Afdeling de besluiten van 11 april 2025 en 15 april 2025, omdat de asielaanvragen van appellanten met elkaar samenhangen. De minister moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL25.18159 en NL25.18160;
III.      verklaart de beroepen gegrond;
IV.      vernietigt de besluiten van 11 april 2025 en 15 april 2025, V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…] en V-[…];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026
918-1161