ECLI:NL:RVS:2026:4265
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve maatregel alcohol en verkeer ondanks betwisting medicatiegebruik
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 5 augustus 2024 een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) op vanwege een ademalcoholgehalte van 675 µg/l gemeten na een politiecontrole in de nacht van 18 op 19 juli 2024. Appellant betwistte de maatregel en voerde aan dat het alcoholgehalte veroorzaakt werd door het kauwen op met alcohol gedrenkte watten vanwege chronische gebitsklachten.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwde en de gevolgen van de EMA niet onevenredig waren. In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd dit oordeel bevestigd. De Afdeling oordeelde dat de verklaring van appellant niet geloofwaardig was, mede omdat de medische deskundige van het CBR uitsloot dat mondalcohol de gemeten waarde kon veroorzaken.
Verder stelde de Afdeling vast dat het CBR conform de regelgeving een EMA moest opleggen bij een ademalcoholgehalte tussen 435 en 785 µg/l, ongeacht gedragingen die duiden op rijden onder invloed. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige oplegging van de EMA werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de oplegging van de EMA en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.