ECLI:NL:RVS:2026:4265

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202500616/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging Educatieve maatregel alcohol en verkeer ondanks betwisting medicatiegebruik

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 5 augustus 2024 een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) op vanwege een ademalcoholgehalte van 675 µg/l gemeten na een politiecontrole in de nacht van 18 op 19 juli 2024. Appellant betwistte de maatregel en voerde aan dat het alcoholgehalte veroorzaakt werd door het kauwen op met alcohol gedrenkte watten vanwege chronische gebitsklachten.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwde en de gevolgen van de EMA niet onevenredig waren. In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd dit oordeel bevestigd. De Afdeling oordeelde dat de verklaring van appellant niet geloofwaardig was, mede omdat de medische deskundige van het CBR uitsloot dat mondalcohol de gemeten waarde kon veroorzaken.

Verder stelde de Afdeling vast dat het CBR conform de regelgeving een EMA moest opleggen bij een ademalcoholgehalte tussen 435 en 785 µg/l, ongeacht gedragingen die duiden op rijden onder invloed. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige oplegging van de EMA werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de oplegging van de EMA en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

202500616/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2024 in zaak nr. 24/6052 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het CBR hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2026, waar [appellant] en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens informatie van de politie in de nacht van 18 op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l.
Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant], om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, is begonnen met de EMA en deze bijna heeft afgerond. Hij heeft belang bij deze procedure, omdat de EMA volgens hem ten onrechte is opgelegd en hij een schadevergoeding wenst.
Oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank
2.       De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR volgens de geldende regelgeving gehouden was een EMA op te leggen. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de oorzaak van het gemeten ademalcoholgehalte gelegen zou zijn in het gebruik van medicatie, heeft hij dit niet met stukken of op andere wijze onderbouwd. Hij heeft geen inzicht gegeven in welke medicatie dit zou zijn en hoe dit mogelijk kan leiden tot een dergelijke waarde bij de meting van het ademalcoholgehalte.
Volgens de voorzieningenrechter heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van het opleggen van een EMA voor hem zodanig onevenredig zijn, dat de regelgeving in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten. Dat hij van een bijstandsuitkering leeft, is geen uitzonderlijk geval. [appellant] kan om een betalingsregeling verzoeken. Dat, als hij niet betaalt, zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard, maakt ook niet dat de gevolgen van het opleggen van een EMA onevenredig zijn. Hij kan gebruikmaken van het openbaar vervoer om zijn familie te bezoeken, aldus de voorzieningenrechter.
Beoordeling van het hoger beroep
3.       [appellant] betoogt dat de EMA ten onrechte is opgelegd. Hij heeft in zijn hogerberoepschrift en op de zitting bij de Afdeling een nadere verklaring gegeven voor het gemeten ademalcoholgehalte. Hij heeft uiteengezet dat hij ernstige, chronische gebitsklachten heeft. Volgens hem heeft de tandarts hem geadviseerd op watten gedrenkt in alcohol te kauwen tegen de pijn. Dit heeft hij in de nacht van 18 op 19 juli 2024 ook gedaan. Hij was op bezoek bij kennissen. Toen hij pijnklachten kreeg heeft hij daar een product met een hoog alcoholpercentage gebruikt om wattenschijfjes in te drenken. Op weg naar huis is hij in een alcoholcontrole terechtgekomen. Omdat er veel bestuurders werden gecontroleerd, heeft hij een tijdje moeten wachten voor hij aan de beurt was. Ongeveer een uur nadat hij de in de alcohol gedrenkte watjes had gebruikt, heeft hij geblazen. Volgens [appellant] kan er op die wijze alcohol in zijn lichaam terecht zijn gekomen zonder dat hij dat besefte. Hij drinkt namelijk in het geheel geen alcohol, omdat dit een pijnlijke reflux veroorzaakt. Hij heeft tijdens het politieverhoor ook verklaard geen alcohol te gebruiken. Uit de mededeling van de politie blijkt niet dat er aanvullende redenen waren, bijvoorbeeld in zijn rijgedrag, om uit te gaan van rijden onder invloed van alcohol. In de strafzaak heeft hij zijn rijbewijs teruggekregen, maar door de handelwijze van de politie, het CBR en de voorzieningenrechter wordt hij nog steeds gestraft. Omdat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, heeft hij in een sociaal isolement geleefd en kon hij zijn kinderen en zieke moeder niet bezoeken. [appellant] stelt dat hij fysieke klachten heeft en krijgt van reizen met het openbaar vervoer.
Ter staving van zijn stellingen heeft [appellant] informatie van zijn tandarts over zijn gebitsklachten en pijnverlichting overgelegd. Ook heeft hij informatie van de Hartstichting over het verband tussen tandvleesproblemen en hart- en vaatziekten en van Jellinek over stoffen die via tandvleesbloedingen in de bloedbaan terecht kunnen komen overgelegd. Verder heeft hij een bericht van een afdeling Legal aan het CBR over de onevenredige benadeling van [appellant] en een bericht van een familielid over zijn zieke moeder, met foto’s, overgelegd.
3.1.    Het betoog van [appellant] slaagt niet. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
3.2.    Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de zogenoemde sniffer een indicatie gaf voor alcohol, dat het ademtestapparaat een G/F-indicatie gaf zodat een uitgebreide ademanalyse moest worden gedaan, en dat bij die ademanalyse een waarde van 625 µg/l is vastgesteld. Deze constateringen worden door [appellant] niet weersproken. Artikel 11, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 bepaalt dat het CBR een EMA oplegt als een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat tussen de 435 µg/l en 785 µg/l ligt. Anders dan [appellant] aanvoert, is voor het opleggen van een EMA niet vereist dat in het proces-verbaal gedragingen zijn opgenomen die duiden op het rijden onder invloed van alcohol.
De vraag die voorligt, is of de verklaring die [appellant] geeft voor het gemeten ademalcoholgehalte voor het CBR een reden had moeten zijn om van het opleggen van een EMA af te zien.
3.3.    De Afdeling beantwoord die vraag ontkennend. Zij acht de door [appellant] gegeven verklaring voor het gemeten alcoholgehalte niet geloofwaardig. Voor dat oordeel is het volgende van belang. De verklaring die [appellant] heeft gegeven voor het gemeten ademalcoholgehalte is niet consistent. In de bezwaarfase heeft hij daarvoor geen verklaring gegeven, op de zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard pijnstillers te hebben gebruikt op 17 en 18 juli 2024, en pas voor het eerst in hoger beroep stelt hij kort voor de controle in alcohol gedrenkte watjes te hebben gebruikt. Die laatste stelling is, gezien de eerdere verklaring, niet aannemelijk en ook niet onderbouwd. Dat uit informatie van de tandarts, naar [appellant] stelt, volgt dat hij chronische gebitsklachten heeft en hem het gebruik van watjes met alcohol is geadviseerd, is daarvoor onvoldoende.
Bovendien heeft het hoofd medische zaken van het CBR desgevraagd uiteengezet dat uitgesloten is dat de uitslag van 625 µg/l is veroorzaakt door mondalcohol. Niet alleen zou er, om tot een meting van 625 µg/l te komen, een fysiek gezien onmogelijk grote hoeveelheid alcohol in een watje gedrenkt moeten zijn, maar ook zat tussen het blazen op het ademtestapparaat en de uitgebreide ademanalyse meer dan 20 minuten wachttijd, zodat er geen mondalcohol meer aanwezig kon zijn, aldus de deskundige van het CBR. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze uiteenzetting.
3.4.    Voor zover [appellant] stelt dat de alcohol via zijn tandvlees in zijn bloed terecht is gekomen, heeft het hoofd medisch zaken bevestigd dat het mogelijk is om alcohol in het bloed op te nemen via de slijmvliezen in de mond. Een dergelijke opname zorgt ervoor dat de alcohol direct naar het hart en de hersenen stroomt, waardoor de impact op het reactievermogen veel sneller optreedt, aldus de deskundige van het CBR. Ook als sprake is van alcoholopname via de mondslijmvliezen, duidt het gemeten ademalcoholgehalte er op dat [appellant] onder invloed van alcohol heeft gereden. Dat hij zich daar naar eigen zeggen niet bewust van is geweest, is geen reden om geen EMA op te leggen.
3.5.    De voorzieningenrechter heeft ook terecht geoordeeld dat de gevolgen van het opleggen van de EMA niet onevenredig zijn. Voor het betalen van de kosten van de EMA kon [appellant] een betalingsregeling aanvragen bij het CBR. Het door [appellant] gestelde sociale isolement was het gevolg van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs omdat hij in eerste instantie de kosten van de EMA niet had betaald, en niet van de oplegging van de EMA.
Verzoek om schadevergoeding
4.       [appellant] verzoekt om schadevergoeding voor de kosten en schulden die hij voor deze procedure heeft moeten maken en om een vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van deze procedure.
4.1.    De Afdeling wijst dit verzoek af, omdat het besluit waarbij de EMA is opgelegd niet onrechtmatig is. Alleen al daarom bestaat er, gelet op artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, geen grond om het CBR tot vergoeding van schade te veroordelen.
Eindoordeel
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. De Vries-Biharie
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
611