ECLI:NL:RVS:2026:4274
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-rijgeschiktheid na gezichtsvelddefect en rijtesten
Appellant, geboren in 1940 en ouder dan 75 jaar, vroeg eind 2023 verlenging van zijn rijbewijs aan. Vanwege zijn leeftijd moest hij een gezondheidsverklaring invullen en een medische keuring ondergaan. Een oogarts stelde een gezichtsvelddefect vast, waarna het CBR aanvullende medische keuringen en rijtesten liet uitvoeren. De eerste rijtest werd afgebroken wegens gevaarzetting; de tweede test concludeerde dat appellant niet veilig kon rijden.
Het CBR verklaarde appellant bij besluit van 12 december 2024 niet rijgeschikt en handhaafde dit in bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant zijn standpunt over het gezichtsvelddefect niet met medische gegevens onderbouwde en dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belangen.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn situatie was verbeterd door twee staaroperaties na het bestreden besluit, waardoor de eerdere medische gegevens en rijtesten niet meer relevant zouden zijn. De Raad van State oordeelde dat beoordeling plaatsvindt op basis van de feiten ten tijde van het besluit en dat de latere medische verbeteringen geen grond zijn om het besluit te vernietigen. Appellant kan een nieuwe gezondheidsverklaring indienen voor herbeoordeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het besluit van het CBR en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant niet rijgeschikt is verklaard vanwege medische beperkingen en wijst het hoger beroep af.