ECLI:NL:RVS:2026:4274

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202505612/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-rijgeschiktheid na gezichtsvelddefect en rijtesten

Appellant, geboren in 1940 en ouder dan 75 jaar, vroeg eind 2023 verlenging van zijn rijbewijs aan. Vanwege zijn leeftijd moest hij een gezondheidsverklaring invullen en een medische keuring ondergaan. Een oogarts stelde een gezichtsvelddefect vast, waarna het CBR aanvullende medische keuringen en rijtesten liet uitvoeren. De eerste rijtest werd afgebroken wegens gevaarzetting; de tweede test concludeerde dat appellant niet veilig kon rijden.

Het CBR verklaarde appellant bij besluit van 12 december 2024 niet rijgeschikt en handhaafde dit in bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant zijn standpunt over het gezichtsvelddefect niet met medische gegevens onderbouwde en dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belangen.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn situatie was verbeterd door twee staaroperaties na het bestreden besluit, waardoor de eerdere medische gegevens en rijtesten niet meer relevant zouden zijn. De Raad van State oordeelde dat beoordeling plaatsvindt op basis van de feiten ten tijde van het besluit en dat de latere medische verbeteringen geen grond zijn om het besluit te vernietigen. Appellant kan een nieuwe gezondheidsverklaring indienen voor herbeoordeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het besluit van het CBR en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant niet rijgeschikt is verklaard vanwege medische beperkingen en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

202505612/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 12 september 2025 in zaak nr. 25/2522 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2024 heeft het CBR [appellant] niet rijgeschikt verklaard.
Bij besluit van 28 februari 2025 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.H. Boomstra, advocaat in Amsterdam, vergezeld door [persoon] en het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Eind 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor de verlenging van zijn rijbewijs. Omdat [appellant], geboren op [geboortedatum] 1940, ouder dan 75 jaar was, moest hij daarvoor een gezondheidsverklaring invullen en naar een keuringsarts. Naar aanleiding van de verklaring en het advies van de keuringsarts is [appellant] naar een oogarts verwezen die een gezichtsvelddefect bij hem heeft vastgesteld.
2.       Het CBR heeft vervolgens aanleiding gezien om aanvullende medische keuringen en rijtesten te laten verrichten. De eerste rijtest is afgebroken in verband met gevaarzetting. [appellant] heeft toen verzocht om een tweede rijtest. Die heeft plaatsgevonden in het kader van een herkeuringstraject. De tweede rijtest wees uit dat [appellant] niet in staat is om veilig een auto te besturen. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 december 2024, heeft het CBR [appellant] daarom niet rijgeschikt verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR op goede gronden geen verklaring van rijgeschiktheid heeft afgegeven aan [appellant]. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] het niet eens is met het door de oogarts geconstateerd gezichtsvelddefect, maar dat [appellant] dit standpunt niet heeft onderbouwd met medische informatie. Het CBR mocht ook afgaan op de resultaten van de rijstesten zoals gerapporteerd door de deskundige praktische rijgeschiktheid (DPR). Twee deskundigen hebben los van elkaar een rijtest gedaan met [appellant]. Dat het volgens [appellant] niet klopt dat er meerdere ingrepen zijn gedaan om aanrijdingen te voorkomen, acht de rechtbank tegenover het oordeel van de deskundigen niet geloofwaardig. De rechtbank begrijpt dat [appellant] zonder rijbewijs beperkt wordt in zijn mogelijkheden en dat dit vervelend is voor hem en zijn vrouw, maar dit verhoudt zich niet tot het belang van de verkeersveiligheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat in een geval waarbij iemand niet geschikt is om veilig auto te rijden, het belang van de verkeersveiligheid altijd zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van die persoon.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat het CBR en de rechtbank ten onrechte zijn uitgegaan van een verouderde medische situatie. Hij heeft inmiddels twee staaroperaties gehad die hebben geleid tot een verbetering van zijn gezichtsvermogen. Volgens [appellant] kunnen de eerdere medische gegevens en de twee rijtesten daarom niet langer als grondslag dienen en had het CBR op basis van het zorgvuldigheidsbeginsel een nieuw (onafhankelijk) onderzoek en een nieuwe rijtest moeten laten verrichten.
4.1.    De Afdeling stelt voorop dat de beoordeling in bezwaar, beroep en hoger beroep plaatsvindt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het besluit op bezwaar. De staaroperaties die het gezichtsvermogen van [appellant] hebben verbeterd, vonden plaats in december 2025 en januari 2026. Deze omstandigheden dateren van ruim na het bestreden besluit van 28 februari 2025. Deze nieuwe medische situatie kan alleen daarom al niet leiden tot het oordeel dat het CBR het besluit op bezwaar ten onrechte heeft genomen. Het besluit op bezwaar is namelijk gebaseerd op de toen beschikbare medische gegevens en de resultaten van de rijtesten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het CBR op grond van die gegevens mocht concluderen dat [appellant] niet rijgeschikt was.
5.       Het staat [appellant] vrij om een nieuwe gezondheidsverklaring in te vullen. Het CBR zal dan aan de hand van de actuele medische informatie en eventuele andere relevante informatie opnieuw beoordelen of hij rijgeschikt is.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
284-1112