ECLI:NL:RVS:2026:4283

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202600745/1/R4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 10 lid 1 Afvalstoffenverordening Almere 2024Art. 4 Uitvoeringsregeling Almere 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen kosten bestuursdwang voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft op 16 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een afvalzak te verwijderen die naast een ondergrondse afvalcontainer was geplaatst. De kosten van deze bestuursdwang, € 97,83, werden aan appellante toegerekend omdat in de afvalzak een envelop met haar naam en adresgegevens was gevonden.

Appellante voerde aan dat zij haar afvalzak bij de container had aangeboden, maar deze niet kon deponeren omdat de containers vol waren en slechts eens per twee weken werden geleegd. Zij stelde dat het onredelijk was om te verlangen dat bewoners hun afval elders aanbieden en betwistte dat ook ander afval aan haar kon worden toegerekend.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verkeerd aanbieden van afval naast de container een overtreding is van de Afvalstoffenverordening Almere 2024. Het feit dat de container vol was, rechtvaardigt het plaatsen van afval naast de container niet. Appellante had het afval moeten bewaren totdat zij het op de juiste wijze kon aanbieden. Het college mocht de kosten van bestuursdwang op haar verhalen, aangezien alleen de afvalzak met haar gegevens aan haar werd toegerekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van kosten voor bestuursdwang wegens het naast de container plaatsen van afval is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202600745/1/R4.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Almere,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 16 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met Artikel 10 lid 1 van Pro de Afvalstoffenverordening Almere 2024 en Artikel 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Almere 2024 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van bestuursdwang, te weten € 97,83 voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 10 februari 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een afvalzak, die op 16 december 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer op de Jim Hensonstraat ter hoogte van nummer 46. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de afvalzak verkeerd heeft aangeboden, omdat in de zak een envelop is gevonden met daarop haar naam- en adresgegevens.
2. [appellante] betoogt dat zij haar vuilniszak heeft aangeboden bij de ondergrondse afvalcontainers, maar deze niet in de container kon deponeren, omdat alle containers vol waren. In dat verband voert zij aan dat de containers slechts eens per twee weken worden geleegd.
Omdat er geen ruimte was in de containers, stelt [appellante] dat zij uit nood de afvalzak naast de container heeft geplaatst. Verder stelt zij dat het onredelijk is om van bewoners te verlangen dat zij hun afval ver weg brengen. Tot slot betoogt [appellante] dat de gemeente ten onrechte ook ander afval aan haar toerekent, zoals een rode plastic tas en losse zakjes.
3. Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Almere 2024 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden op de daarvoor aangewezen wijze en plaats.
Artikel 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Almere 2024 houdt in dat voor verschillende soorten categorieën huishoudelijke afvalstoffen is aangewezen met welk inzamelmiddel of welke inzamelvoorziening die afvalstoffen moeten worden aangeboden.
4. Vast staat dat de afvalzak waarover het in deze zaak gaat, naast de ondergrondse afvalcontainer stond en ook niet in geschil is dat deze door [appellante] verkeerd is aangeboden. Dat is een overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2024. Dat de ondergrondse afvalcontainer mogelijk vol was en daarom niet door [appellante] kon worden gebruikt, maakt dat niet anders. Ook als dat zo is, is het niet toegestaan om afval naast de container te plaatsen. Voor zover het voor [appellante] niet mogelijk zou zijn om het afval in een andere container aan te bieden, had zij het afval moeten bewaren totdat zij dit op de juiste wijze kon aanbieden. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat dit niet van haar kon worden verwacht.
Voor zover [appellante] erop wijst dat ook ander afval naast de container ligt, leidt dat niet tot een ander oordeel. Het college heeft alleen de kosten voor het verwijderen van de afvalzak waarin een envelop met haar naam- en adresgegevens is aangetroffen op haar verhaalt. Het andere afval is niet aan haar toegerekend. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten niet op [appellante] mocht verhalen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
341