ECLI:NL:RVS:2026:4295
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen onvoldoende beoordeling bachelorscriptie theologie
Appellant, student theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, kreeg zijn bachelorscriptie beoordeeld met een onvoldoende (gemiddeld 5,7). Na een schikkingsgesprek werd een derde beoordelaar toegevoegd, maar het gemiddelde bleef onvoldoende. Appellant stelde dat de beoordeling geen holistische weergave was en dat beoordelaars onvoldoende zicht hadden op het scriptietraject.
De Raad van State oordeelde dat het beroep slechts kan worden getoetst aan procedurele voorschriften en niet aan de inhoud van de beoordeling zelf. Uit het dossier bleek dat appellant akkoord was gegaan met de procedure waarbij het gemiddelde van drie beoordelaars werd genomen. De regel dat het onderdeel 'independency' alleen door de eerste beoordelaar werd beoordeeld, is conform de geldende beoordelingsregels.
De stelling dat de eerste beoordelaar te laat was toegewezen en het druk had, bood geen grond voor het oordeel dat de procedure niet correct was gevolgd. De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de onvoldoende beoordeling van de bachelorscriptie wordt ongegrond verklaard.