ECLI:NL:RVS:2026:4295

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202601596/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen onvoldoende beoordeling bachelorscriptie theologie

Appellant, student theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, kreeg zijn bachelorscriptie beoordeeld met een onvoldoende (gemiddeld 5,7). Na een schikkingsgesprek werd een derde beoordelaar toegevoegd, maar het gemiddelde bleef onvoldoende. Appellant stelde dat de beoordeling geen holistische weergave was en dat beoordelaars onvoldoende zicht hadden op het scriptietraject.

De Raad van State oordeelde dat het beroep slechts kan worden getoetst aan procedurele voorschriften en niet aan de inhoud van de beoordeling zelf. Uit het dossier bleek dat appellant akkoord was gegaan met de procedure waarbij het gemiddelde van drie beoordelaars werd genomen. De regel dat het onderdeel 'independency' alleen door de eerste beoordelaar werd beoordeeld, is conform de geldende beoordelingsregels.

De stelling dat de eerste beoordelaar te laat was toegewezen en het druk had, bood geen grond voor het oordeel dat de procedure niet correct was gevolgd. De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de onvoldoende beoordeling van de bachelorscriptie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202601596/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 30 oktober 2025 is de bachelorscriptie van [appellant] met een onvoldoende beoordeeld.
Bij beslissing van 16 april 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting op 9 juli 2026 behandeld, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. K. Hardenberg, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgt de bacheloropleiding Theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn bachelorscriptie is op 30 augustus 2025 met een 5,8 beoordeeld. Die beoordeling is gebaseerd op het gemiddelde van de beoordeling van twee beoordelaars, waarbij een 6,0 of hoger als een voldoende geldt. [appellant] is tegen die beoordeling opgekomen, waarna op 1 oktober 2025 een schikkingsgesprek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft een derde beoordelaar de scriptie beoordeeld. Op 30 oktober 2025 is vastgesteld dat het gemiddelde van de beoordelingen van de drie examinatoren neerkomt op een 5,7, eveneens een onvoldoende.
Beroep
2. [appellant] voert aan dat de beoordeling van zijn scriptie, dan wel de beslissing van het CBE, geen holistische weergave van zijn scriptie(traject) bevat. De beoordelaars weten niet of nauwelijks hoe zijn scriptie tot stand is gekomen. De eerste beoordelaar, die ook de scriptiebegeleider van [appellant] was, werd pas laat toegewezen en had het vervolgens druk. De tweede beoordelaar is later toegewezen. Het is bezwaarlijk dat deze tweede beoordelaar [appellant] wel wilde beoordelen, maar niet wilde begeleiden. [appellant] wilde dat hij, gelet op zijn karakter, zou worden vervangen door een andere beoordelaar. Dat is niet in het verslag van het schikkingsgesprek van 1 oktober 2025 opgenomen. Verder mocht de derde beoordelaar het onderdeel dat te maken had met ‘independence’ niet beoordelen.
Beoordeling beroep
2.1. Artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) luidt: "Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing."
Gelet op deze bepaling kan de Afdeling het besluit van het CBE slechts toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. Haar beoordeling kan geen betrekking hebben op de inhoud van het afgelegde examen of afgelegde toets. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3428, onder 6.
2.2. Wat [appellant] in beroep naar voren heeft gebracht biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de beslissing van het CBE in strijd is met een voorschrift van procedurele aard dat bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin is gesteld. Uit het verslag van het schikkingsgesprek van 1 oktober 2025 volgt dat [appellant] akkoord is gegaan met het voorstel dat een derde beoordelaar zou worden toegewezen en dat de beoordeling van zijn scriptie zou bestaan uit het gemiddelde van de beoordelingen van deze derde en de twee andere beoordelaars. [appellant] heeft dat niet betwist. De beoordeling van zijn scriptie is vervolgens in overeenstemming met dat voorstel tot stand gekomen. Verder is in overeenstemming met het beoordelingsformulier het onderdeel ‘independency’ alleen beoordeeld door de eerste beoordelaar. Het CBE heeft toegelicht dat deze regel wordt gehanteerd, omdat de eerste beoordelaar zicht heeft op het verloop van het proces. De tweede beoordelaar beoordeelt onafhankelijk van de eerste beoordelaar of het eindproduct voldoet aan de eisen die de opleiding stelt. Het beoordelingsformulier, waarin de regel is opgenomen, is volgens het CBE toegankelijk voor studenten. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze procedure, en in het verlengde daarvan de beslissing van het CBE, in strijd is met een voorschrift dat bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin is gesteld. Voor zover [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat de eerste beoordelaar in zijn geval onvoldoende zicht had op het verloop van het proces om het onderdeel ‘independency’ te beoordelen, omdat hij pas laat werd toegewezen dan wel omdat hij het vervolgens druk had, volgt de Afdeling dat niet. Het CBE heeft in zijn verweerschrift gewezen op een e-mail van 23 april 2025, waarin [appellant] naar voren heeft gebracht dat hij op dat moment nog geen scriptiebegeleider heeft en dat hij dit niet eerder heeft gemeld, omdat hij tot dan toe nog weinig heeft ondernomen voor zijn scriptie en daarom ook nog geen behoefte heeft gehad aan een supervisiemoment. Uit de e-mail van 28 april 2025 volgt dat de eerste beoordelaar slechts vijf dagen later, op 28 april 2025, is toegewezen. In zoverre is de eerste beoordelaar niet ‘pas laat’ toegewezen als scriptiebegeleider. De omstandigheid dat de eerste beoordelaar volgens [appellant] het vervolgens druk had, biedt geen grond voor de conclusie dat hij onvoldoende zicht had op het verloop van het proces om het onderdeel ‘independency’ te beoordelen.
Slotsom
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Riet
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
994