ECLI:NL:RVS:2026:4296

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202601376/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8b WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bindend negatief studieadvies Universiteit Maastricht bevestigd ondanks persoonlijke omstandigheden

Een studente aan de Universiteit Maastricht kreeg op 15 augustus 2025 een bindend negatief studieadvies (BNSA) vanwege onvoldoende studievoortgang, ondanks meerdere uitstelverzoeken wegens persoonlijke omstandigheden. Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van de studente ongegrond. De studente was gestart in 2019/2020 met de bacheloropleiding Economics and Business Economics en had vanaf 2021/2022 geen ECTS behaald voor eerstejaarsvakken die meetellen voor de BSA-norm.

De studente voerde aan dat zij door het overlijden van haar moeder en grootvader, psychische klachten en een eetstoornis niet in staat was om aan de norm te voldoen. Ook stelde zij dat de universiteit onvoldoende persoonlijke aandacht had gegeven en dat het BNSA onevenredig zwaar was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestuur zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de studente niet geschikt was voor de opleiding, mede omdat zij ondanks uitstel en voorwaarden onvoldoende studievoortgang had geboekt.

De behaalde 26 ECTS voor een stage en het succesvol afronden van een AI-cursus werden niet als voldoende bewijs gezien voor geschiktheid, omdat deze onderdelen wezenlijk verschilden van de verplichte eerstejaarsvakken. Ook was het niet aannemelijk dat de universiteit onvoldoende voorzieningen had getroffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het BNSA bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het bindend negatief studieadvies is ongegrond verklaard en het advies blijft in stand.

Uitspraak

202601376/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft het instellingsbestuur van de School of Business and Economics van de Universiteit van Maastricht (het bestuur) aan [appellante] een bindend negatief studieadvies gegeven.
Bij beslissing van 19 maart 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen gemaakte administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2026, waar [appellante] en het CBE, vertegenwoordigd door D.M.J. Dexters, via videoverbinding zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is in het studiejaar 2019/2020 gestart met de bacheloropleiding Economics and Business Economics (de opleiding). Vanwege persoonlijke omstandigheden van [appellante] is aan haar meerdere keren uitstel verleend voor het voldoen aan de norm voor het bindend studieadvies (de BSA-norm). In het studiejaar 2024/2025 voldeed zij hier nog steeds niet aan. Het bestuur heeft haar daarom op 15 augustus 2025 een bindend negatief studieadvies gegeven, waarbij zij is uitgesloten van het volgen van de opleiding voor een periode van zes jaar (het BNSA).
2.       Het CBE heeft die beslissing in stand gelaten. Volgens het CBE heeft het bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperkte studieresultaten niet uitsluitend voortkomen uit de persoonlijke omstandigheden van [appellante]. Aan het einde van het studiejaar 2020/2021 had zij 34 ECTS van de benodigde 47 ECTS voor eerstejaarsvakken behaald, waaronder nog niet de minimaal vereiste 6,5 ECTS voor het onderdeel kwantitatieve methoden (QM). Sindsdien heeft zij geen eerstejaarsvakken gehaald. In het studiejaar 2021/2022 werd een minnelijke regeling getroffen, waarbij is afgesproken dat [appellante] zich op voltooiing van de eerstejaarsvakken moest richten, zij niet-behaalde vakken integraal moest herkansen en zij een afspraak met de Student en Career Counseling (SCC) moest maken voor een studieplan voor het studiejaar 2022/2023. In het studiejaar 2022/2023 zijn nagenoeg dezelfde verplichtingen aan [appellante] opgelegd als in het studiejaar daarvoor. Verder werd aan haar meegedeeld om niet meer dan twee vakken per periode te volgen. In het studiejaar 2024/2025 behaalde [appellante] weliswaar 26 ECTS voor een stage, maar dat onderdeel telt niet mee voor de BSA-norm. Gelet op de structurele achterblijvende studievoortgang, het telkens niet behalen van QM-vakken, het niet opvolgen van adviezen, het ontbreken van tijdige meldingen bij de SCC en het uitblijven van zichtbare verbetering ondanks meermalig uitstel, kan [appellante] volgens het CBE ook los van haar persoonlijke omstandigheden niet geschikt worden geacht voor de voortzetting van de opleiding.
Beroep
3.       [appellante] betoogt dat het CBE het BNSA ten onrechte in stand heeft gelaten. Zij voert aan dat haar moeder en grootvader zijn overleden. Voorafgaand aan het overlijden van haar moeder droeg [appellante] al veel verantwoordelijkheid voor haar jongere zus, het huishouden, financiële omstandigheden en de zorg voor haar moeder. Ook na haar overlijden bleven verantwoordelijkheden binnen het gezin op [appellante] rusten. Haar vader speelt geen rol in haar leven, waardoor zij in die periode geen ouderlijke steun heeft ontvangen. Daarnaast heeft [appellante] te maken gehad met psychische klachten en een eetstoornis. Het CBE heeft niet onderkend dat zij door die omstandigheden niet altijd heeft kunnen functioneren zoals normaal gesproken van een student mag worden verwacht. Ook mag het feit dat zij niet steeds haar volledige persoonlijke situatie met nieuwe studieadviseurs of medewerkers heeft gedeeld, niet zonder meer tegen haar worden gebruikt. Het is zwaar om telkens weer de omstandigheden te moeten toelichten aan nieuwe personen. Daarnaast had de universiteit [appellante] actiever en meer persoonlijke aandacht moeten geven. Zij heeft destijds contact gehad met een studentadviseur, die had toegezegd contact te onderhouden en financiële hulp te geven. Dergelijke ondersteuning heeft niet plaatsgevonden.
Haar situatie is inmiddels stabieler dan in de voorgaande jaren. Zij heeft geen eetstoornis meer en ontvangt begeleiding. Verder is haar zus zelfstandiger. Het behalen van de 26 ECTS in het studiejaar 2024/2025 laat zien dat zij gemotiveerd is, dingen kan leren en perspectief heeft op studievoortgang. Ook heeft zij onlangs, na het krijgen van het BNSA, succesvol een AI-cursus afgerond. Dat toont aan dat zij nu in staat is om onderwijs te volgen, opdrachten af te ronden en nieuwe kennis op te doen. De gevolgen van het BNSA zijn onevenredig zwaar ten opzichte van het doel van studievoortgangsbewaking. Als zij nu moet stoppen, blijven haar inspanningen, behaalde resultaten en studieschuld zonder afronding van de opleiding achter. In haar geval had moeten worden onderzocht of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was, zoals het voortzetten van de opleiding onder strikte voorwaarden.
Beoordeling beroep
4.       Op grond van artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de WHW) kan het instellingsbestuur een maatregel zoals het BNSA nemen, als de student naar het oordeel van het bestuur, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de student, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft gesteld. Daarbij is bepaald dat het bestuur slechts van die bevoegdheid gebruik kan maken, als het in de propedeutische fase van de opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.
5.       Naar het oordeel van de Afdeling heeft het bestuur zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, zoals is bedoeld in bovengenoemde bepaling. Daarbij acht de Afdeling van belang dat [appellante] vanaf het studiejaar 2021/2022 geen ECTS heeft behaald voor onderdelen die meetellen voor de BSA-norm en zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden, althans de adviezen, gericht op het behalen van die norm.
Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij in het studiejaar 2024/2025 niet in staat was om te voldoen aan die voorwaarden, althans die adviezen op te volgen, vanwege haar persoonlijke omstandigheden, volgt de Afdeling dat niet. [appellante] heeft in dat studiejaar 26 ECTS behaald voor een stage-onderdeel, dat niet meetelt voor de BSA-norm. Het lag op haar weg om zich in plaats daarvan te richten op het behalen van ECTS voor eerstejaarsvakken, waaronder voor het QM-onderdeel. Daarvan is onvoldoende sprake geweest. Zo heeft het CBE naar voren gebracht dat [appellante] weliswaar pogingen heeft gedaan om ECTS voor eerstejaarsvakken te behalen, maar dit was door middel van zogenoemde ‘exam-only’-inschrijvingen in plaats van integrale herkansing van die vakken. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij door het afronden van de stage en de AI-cursus aannemelijk heeft gemaakt dat zij geschikt is voor de opleiding, volgt de Afdeling dat evenmin. Het CBE heeft toegelicht dat de stage in belangrijke opzichten verschilt van de verplichte QM-vakken, zodat het behalen van ECTS voor die stage onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat [appellante] geschikt is voor de opleiding. Het is aannemelijk dat ook de AI-cursus in belangrijke opzichten van die vakken verschilt, zodat daarvoor hetzelfde geldt.
6.       Voor zover [appellante] betoogt dat het instellingsbestuur onvoldoende heeft gezorgd voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd, zoals is bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de WHW, slaagt het betoog niet. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat zij onvoldoende persoonlijke aandacht heeft gekregen. Het CBE heeft toegelicht dat in de afgelopen studiejaren steeds opnieuw is beoordeeld of uitstel voor het voldoen aan de BSA-norm passend is en dat in dat kader afspraken zijn gemaakt met [appellante]. Verder heeft het CBE toegelicht dat in 2021 contact is geweest met een studentadviseur, die haar heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor het Profileringsfonds en die haar heeft voorzien van de daarvoor benodigde stukken. Het CBE heeft onbetwist naar voren gebracht dat [appellante] zo’n aanvraag vervolgens niet heeft ingediend.
7.       Daarnaast geeft wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het BNSA onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De Afdeling stelt daarbij voorop dat het instellingsbestuur zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding. Daarbij is aan [appellante] meermaals uitstel verleend voor het voldoen aan de BSA-norm, waarbij voorwaarden zijn gesteld die zijn gericht op het voldoen aan die norm, zonder het beoogde resultaat. Gelet daarop, acht de Afdeling het opnieuw verlenen van uitstel onder voorwaarden dan ook geen passend alternatief voor het geven van het BNSA. Verder is inherent aan het geven van het BNSA dat [appellante] de opleiding niet (op korte termijn) kan afronden. Die omstandigheid leidt daarom op zichzelf niet tot het oordeel dat het geven van het BNSA onevenredig is.
8.       Gelet op het voorgaande heeft het CBE het BNSA terecht in stand gelaten. Het betoog van [appellante] slaagt niet.
Slotsom
9.       Het beroep is ongegrond.
10.     Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Riet
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
994