ECLI:NL:RVS:2026:4312
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en vertrekopdracht EU
Appellant werd bij besluit van 24 februari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet.
Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hogerberoepschrift bevat geen nieuwe vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin raken, noch vragen over Unierecht.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.