ECLI:NL:RVS:2026:4315
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsdocument EU/EER
Bij besluit van 11 december 2023 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene om een verblijfsdocument EU/EER af. De minister verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing op 10 september 2025 ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 19 juni 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om de uitvoering tijdelijk op te schorten.
De voorzieningenrechter besloot daarom dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 24 juli 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.