ECLI:NL:RVS:2026:4327
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De minister van Asiel en Migratie wees op 11 juli 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister op 9 november 2025 het bezwaar ongegrond. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank, die op 7 mei 2026 het besluit van de minister vernietigde wegens een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen is en het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd.
De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens is een griffierecht aan de minister opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 27 juli 2026.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het besluit van de minister en verklaart het hoger beroep ongegrond.