ECLI:NL:RVS:2026:4333
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER en bevestiging rechtbankuitspraak
De minister heeft op 13 augustus 2025 een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 6 oktober 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 4 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch vragen over Unierecht oproept.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.