ECLI:NL:RVS:2026:436
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 maart 2024 een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De minister verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing op 26 november 2024 ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 17 december 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te kennen.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De voorlopige voorziening houdt in dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.