ECLI:NL:RVS:2026:4396

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202503364/1/R4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afvalstoffenverordening 2020 gemeente ZaanstadUitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen spoedeisende bestuursdwang voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft op 7 januari 2025 schriftelijk bevestigd dat op 2 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang is toegepast wegens het aanbieden van huishoudelijk afval in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020. Appellante betwist de motivering en de toerekening van de kosten van €210,00.

Appellante voert aan dat de doos correct was aangeboden en dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht, met name geen verklaring heeft gevraagd aan haar zorgondersteuner. Het college heeft toegelicht dat de foto’s waarop de doos in een container lijkt te staan, in werkelijkheid foto’s zijn van de doos in het voertuig van de toezichthouder. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat het bewijsvermoeden geldt dat afval met een adreslabel aan de betrokkene kan worden toegerekend, tenzij voldoende twijfel wordt gezaaid, wat hier niet het geval is.

Verder is geoordeeld dat het college terecht de kosten van bestuursdwang aan appellante heeft opgelegd, ondanks het ontbreken van waarschuwingsborden op de containers. Ook is het college bevoegd geweest om direct bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande waarschuwing, vanwege het spoedeisende belang bij het voorkomen van overlast en vervuiling.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang en kostenverhaal wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202503364/1/R4.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2025 heeft het college zijn beslissing om op 2 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Zaanstad in samenhang met het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 21 mei 2025 heeft het college beslist op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar en het besluit van 7 januari 2025 in stand gelaten.
Tegen het besluit van 21 mei 2025 heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.P. Brouwer en A.P.S. Beekman, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 2 januari 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer (hierna: de container) ter hoogte van de Tuiniersstraat in Zaandam.
Motivering
2.       [appellante] betoogt dat het college het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Zij voert aan dat in het besluit staat dat de doos naast de container is aangetroffen, terwijl de doos op de foto’s in een container is geplaatst. Daarmee heeft het college volgens haar bevestigd dat de doos correct is weggegooid.
2.1.    Het college heeft toegelicht dat het aangetroffen afval eerst door de toezichthouder is gefotografeerd, waarna de zakken en dozen zijn verplaatst naar de aanhanger van het voertuig van de toezichthouder. Daar is het afval onderzocht en is de adresdrager gefotografeerd. De foto waar [appellante] naar verwijst, is volgens het college een foto van de doos in het voertuig waarmee het afval is afgevoerd en dus geen foto van de doos in een container.
2.2.    Op de zitting heeft het college de werkwijze van de toezichthouder nogmaals uitgelegd en is vastgesteld dat op de foto waarnaar [appellante] verwijst de doos in het voertuig te zien is en niet in een container.
Het betoog slaagt niet.
Overtreding
3.       [appellante] betoogt dat het college haar niet als overtreder had mogen aanmerken zonder eerst onderzoek te verrichten. Het college had onderzoek moeten verrichten naar haar precieze omstandigheden en had haar zorgondersteuner, die de doos voor haar heeft weggebracht, om een verklaring moeten vragen. Dat het college [appellante] verantwoordelijk houdt voor het verkeerd aanbieden van de doos zonder dat dit onderzoek is verricht, is volgens [appellante] in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel.
3.1.    Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, 201702617/1/A1.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
3.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten en heeft het college [appellante] daarom terecht als overtreder aangemerkt. Daarom was er geen reden voor nader onderzoek door het college. Het besluit is dus niet voorbereid in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het betoog slaagt niet.
Kostenverhaal
4.       [appellante] is het er niet mee eens dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor haar rekening komen. Zij voert aan dat de handeling het gevolg was van een vergissing door haar nieuwe zorgondersteuner die namens haar handelde. Haar zorgondersteuner was niet op de hoogte van de lokale regelgeving en had niet de intentie om de regels te overtreden. In andere gemeenten worden afvalcontainers volgens [appellante] voorzien van duidelijke waarschuwingsborden waarin de consequenties van het onjuist aanbieden van afval worden vermeld, terwijl dergelijke waarschuwingen op de containers in Zaandam ontbreken.
4.1.    Doordat de doos verkeerd is aangeboden, heeft het college kosten moeten maken voor het verwijderen daarvan. In beginsel behoren die kosten voor rekening van de overtreder te komen. De omstandigheid dat er geen waarschuwing op de containers staat, doet er niet aan af dat het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Zaandam is om oud papier naast een inzamelvoorziening aan te bieden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college gemaakte kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor haar rekening behoren te komen.
Het betoog slaagt niet.
Direct spoedeisende bestuursdwang toegepast
5.       [appellante] betoogt dat het college het huisvuil niet meteen zelf hoefde te verwijderen, maar eerst een waarschuwing had kunnen geven of haar in de gelegenheid had kunnen stellen het huisvuil zelf op te ruimen. Volgens haar veroorzaakte de doos namelijk geen overlast. Het college heeft volgens haar niet aangetoond dat de situatie dusdanig spoedeisend was dat het proportioneel was om kosten te verhalen zonder eerst te waarschuwen.
5.1.    Het college heeft zich in het besluit van 21 mei 2025 op het standpunt gesteld dat verkeerd aangeboden huisvuil het gemeentelijk beleid, gericht op het schoon houden van de stad, ernstig verstoort, een vuilaantrekkende werking heeft en in algemene zin vervuiling van de openbare weg tot gevolg heeft. Ter voorkoming en ongedaanmaking van deze negatieve gevolgen, stelt het college een spoedeisend belang te hebben bij de directe verwijdering van verkeerd aangeboden huisvuil.
Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich vanwege deze negatieve gevolgen op het standpunt stellen dat verkeerd aangeboden huisvuil direct moet worden verwijderd, zodat niet eerst een waarschuwing kan worden gegeven.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schmidt
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1133