ECLI:NL:RVS:2026:4398

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202601093/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 8.1.1c Wet educatie en beroepsonderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating BOL-leerweg facilitair medewerker niveau 2 wegens veiligheid en begeleiding

Appellant verzocht om toelating tot de BOL-leerweg facilitair medewerker niveau 2, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de groep studenten voornamelijk uit kwetsbare jonge vrouwen bestaat en appellant baat heeft bij meer begeleiding. Het college achtte de BBL-leerweg via 'De Tussenvoorziening' passender vanwege de praktijkgerichte aanpak en de betrokkenheid van de gemeente.

Appellant maakte bezwaar tegen de afwijzing, stellende dat hij werd gediscrimineerd op grond van leeftijd en dat de motivering wisselde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het recht op toelating tot een opleiding niet automatisch recht geeft op toelating tot een specifieke leerweg. Het college had zwaarwegende belangen aangevoerd, waaronder de veiligheid van kwetsbare medestudenten en de onvoldoende studievoortgang van appellant door taalachterstand.

De Afdeling vond dat het college voldoende had gemotiveerd dat appellant door zijn intimiderende gedrag en onvoldoende taalvaardigheid niet passend is voor de BOL-leerweg. De afwijzing was een op de persoon toegesneden afweging en geen discriminatie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van toelating tot de BOL-leerweg wordt ongegrond verklaard vanwege zwaarwegende belangen van het college.

Uitspraak

202601093/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van het ROC Midden-Nederland (het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 13 januari 2026 heeft de afdelingsmanager, namens het college, het verzoek van [appellant] tot toelating tot de beroepsopleidende leerweg (BOL-leerweg) facilitair medewerker niveau 2 afgewezen.
Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. den Hertog, advocaat in Utrecht, vergezeld door mr. S. Stokking, [persoon A] en [persoon B] zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft verzocht om toelating tot de BOL-leerweg facilitair medewerker niveau 2. Dat verzoek is bij het besluit van 13 januari 2026 afgewezen, omdat de rest van de groep studenten die start met deze BOL-opleiding een zeer kwetsbare doelgroep is van voornamelijk jonge vrouwen, en ook omdat [appellant] baat heeft bij meer begeleiding om een opleiding op mbo-niveau 2 te kunnen afronden. De afdelingsmanager acht de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-leerweg) via een leertraject van MBO voor Professionals ( ‘De Tussenvoorziening’) daarom passender. In dit traject werken mensen die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van volwassenen in de opleiding en het vinden van een passende plek op de arbeidsmarkt.
De bestreden beslissing
2.       Het college heeft aan het besluit van 12 maart 2026 ten grondslag gelegd dat de BOL-leerweg niet passend is voor [appellant]. Het is de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling om een student te plaatsen in een op de persoonlijke omstandigheden toegesneden meest passend traject. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 aan hetzelfde ROC het eerste jaar van de opleiding Assistent Business Services, de BOL-leerweg, gevolgd. Tijdens die opleiding kreeg [appellant] een bindend studieadvies ‘overstappen’ omdat hij onvoldoende studievoortgang liet zien vanwege zijn taalachterstand. Door de taalachterstand kon hij het theoretische deel van het BOL-traject onvoldoende volgen. Gelet op zijn substantiële taalachterstand en zijn achterstand op de arbeidsmarkt is een BBL-leerweg volgens het college meer geschikt voor [appellant], omdat een BBL-traject met leren in de praktijk meer aansluit bij zijn onderwijsbehoefte dan leren vanuit de theorie. In het voorgestelde traject van ‘De Tussenvoorziening’ wordt gewerkt met onbetaalde stageplaatsen waardoor er geen consequenties zijn voor zijn bijstandsuitkering. Het traject is een samenwerkingsverband met de gemeente. Tot slot merkt het college op dat de groep studenten die start in de BOL-opleiding vooral uit jonge, zeer kwetsbare vrouwen bestaat. Gelet op recent gedrag en de houding van [appellant] acht het college plaatsing van [appellant] in de BOL-leerweg vanuit een oogpunt van het borgen van de veiligheid van deze kwetsbare groep niet gewenst. Het ROC dient zorg te dragen voor een sociaal veilig schoolklimaat en mede hierom is deelname van [appellant] aan de BOL-leerweg niet passend.
Het beroep en de beoordeling daarvan
3.       [appellant] betoogt dat hij, door het standpunt over de samenstelling van de groep studenten, wordt gediscrimineerd op basis van zijn leeftijd en dat is in strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet. Hij wordt immers niet beoordeeld op zijn persoonlijke geschiktheid op basis van een individuele objectieve beoordeling. Ook is de stelling dat de BBL-leerweg beter past volgens hem niet gebaseerd op enig onderzoek. Bovendien is hij zelf van mening dat hij juist meer onderwijs nodig heeft, omdat hij dan meer lesuren heeft en op die manier meer kan oefenen met de Nederlandse taal. [appellant] voert verder aan dat de motivering van de afwijzing wisselend is. In eerste instantie paste hij niet bij de groep en later zou de leerweg niet passend zijn voor hem. Die wisseling draagt naar zijn mening niet bij aan de draagkracht van de beslissing. Doordat een BOL-leerweg onderwijsgericht is, bestaat er geen werkverplichting of mogelijke arbeidsrelatie die invloed kan hebben op zijn bijstandsuitkering. Hij is bang dat dit bij een BBL-leerweg anders is en hij zijn recht op de uitkering zou verliezen.
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3904, geeft artikel 8.1.1c, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs recht op toelating tot een beroepsopleiding. Dit recht op toelating tot een opleiding betekent niet dat er ook een recht op toelating tot een specifieke leerweg binnen die opleiding bestaat. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat aan de keuze van de leergang binnen de opleiding geen beperkingen zijn gesteld door de wetgever. Omdat de keuze van de leerweg nauw verbonden is met de keuze voor de opleiding, kan toegang tot de leergang alleen worden geweigerd vanwege zwaarwegende belangen van de onderwijsinstelling.
3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat er zwaarwegende argumenten zijn die zich verzetten tegen toelating van [appellant] tot de BOL-leerweg. Hieronder licht de Afdeling dit toe.
3.3.    Het college heeft voldoende onderbouwd dat studenten en medewerkers zich gedurende de eerder door [appellant] gevolgde BOL-opleiding geïntimideerd en onveilig hebben gevoeld. De wijze waarop hij jongere, vrouwelijke islamitische medestudenten heeft aangesproken op gedrag dat volgens hem niet in overeenstemming was met de islam, is door hen als bedreigend en intimiderend ervaren. [appellant] is verder diverse keren door medewerkers van het ROC meer in het algemeen aangesproken op zijn wijze van communiceren in de klas naar medestudenten en docenten die door hen als intimiderend is ervaren. Dit heeft geleid tot een schriftelijke waarschuwing op 11 november 2024 voor zijn gedrag, waarbij is aangegeven dat dit ook kan leiden tot definitieve verwijdering van de opleiding. Hoewel [appellant] op zitting bij de Afdeling nogmaals heeft betoogd dat zijn gedrag niet intimiderend of bedreigend bedoeld was, doet dit niet af aan het feit dat zowel medestudenten als docenten dit wel zo hebben ervaren. Het college mocht dit dan ook meewegen in haar oordeel over de vraag of een belang bestond om [appellant] voor deze leerweg te weigeren. Daarbij mocht het college meewegen dat de beoogde opleiding veelal vrouwelijke studenten in de leeftijd 16 tot 20 jaar aantrekt. Volgens het college is een deel hiervan ook kwetsbaar vanwege hun vluchtelingenachtergrond. Het toelaten van [appellant] tot deze BOL-leerweg met voornamelijk vrouwelijke kwetsbare studenten is volgens het college onwenselijk en onverantwoord. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom het in het kader van zijn zorgplicht [appellant] niet tot de leerweg van zijn keuze heeft toegelaten. Dit getuigt naar het oordeel van de Afdeling niet van discriminatie op grond van leeftijd, maar van een op de persoon toegesneden afweging.
3.4.    Ook de prestaties van [appellant] gedurende zijn eerdere opleiding mocht het college als een belang meewegen. [appellant] heeft onvoldoende resultaten behaald, omdat hij de lessen door niet toereikende taalbeheersing niet goed kon volgen. Hij is gedurende het studiejaar gewezen op de mogelijkheid van bijles. Van dat aanbod heeft hij geen gebruik gemaakt. Dat het volgen van het onderwijs mede daardoor moeizaam verliep, mocht het college meewegen. Het college heeft op zitting nogmaals benadrukt dat het volgen van de BBL-leerweg, in combinatie met de zogenoemde ‘De Tussenvoorziening’, een meer passend traject is en geen nadelige gevolgen heeft voor een uitkering, omdat de gemeente bij dat traject is betrokken.
3.5.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
705-1043