ECLI:NL:RVS:2026:4399

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202601039/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.12 OER-HUArt. 4.12.1 OER-HU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitsluiting van toetsen wegens plagiaat bij associate degree-opleiding Bouwmanagement

Een deeltijdstudent aan de associate degree-opleiding Bouwmanagement aan Hogeschool Utrecht werd door de examencommissie uitgesloten van deelname aan toetsen tot en met 31 januari 2026 wegens plagiaat bij de toets Assessment BIM-Modelleur.

De examencommissie stelde vast dat de ingeleverde tekeningen aanzienlijke overeenkomsten vertoonden met werk van het stagebedrijf, zonder dat de student dit had verantwoord. Dit maakte het onmogelijk voor de examinator om een goed oordeel te vormen over de eigen kennis en vaardigheden van de student, wat volgens de onderwijs- en examenregeling (OER-HU) kwalificeert als fraude.

De student voerde aan dat het slechts een onregelmatigheid betrof en dat de sanctie onevenredig was, omdat hij ook studievertraging opliep. De Raad van State oordeelde dat de examencommissie terecht de toets ongeldig verklaarde en de uitsluiting oplegde, waarbij rekening was gehouden met de aard van de fraude en de opleidingsduur.

De student had bovendien de mogelijkheid om in gesprek te gaan met de examencommissie om de situatie te herstellen, maar maakte daarvan geen gebruik. De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de sanctie niet onevenredig was.

Uitkomst: Het beroep van de student tegen de uitsluiting van toetsen wegens plagiaat wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202601039/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Utrecht (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de examencommissie van het Instituut Associate Degrees het door [appellant] ingeleverde werk voor de toets Assessment BIM-Modelleur, onderdeel van de cursus VT2 BIM2-modelleur, wegens plagiaat ongeldig verklaard en hem uitgesloten van deelname aan toetsen tot en met 31 januari 2026.
Bij beslissing van 23 maart 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door J. Kroon LLB, is verschenen. [appellant], vertegenwoordigd door D. Hartevelt, rechtsbijstandverlener in Utrecht, heeft via een videoverbinding deelgenomen. Ook is op de zitting de examencommissie, vertegenwoordigd door S.T. Roeplal, gehoord.
Overwegingen
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2.       [appellant] is deeltijdstudent bij de associate degree-opleiding Bouwmanagement aan de Hogeschool Utrecht. In het studiejaar 2024-2025 volgde hij de cursus VT2 BIM2-modelleur. Dit vak is onderdeel van zijn afstudeertraject. Onderdeel van dit vak was een stage bij een stagebedrijf. Aan het eind van die stage moest [appellant] een building information modeling model (BIM-model) inleveren met daarbij behorende tekeningen. Op 7 juli 2025 heeft de examinator bij de examencommissie melding gemaakt van een vermoeden van een onregelmatigheid in het door [appellant] ingeleverde werk. De examencommissie heeft het werk ongeldig verklaard en [appellant] uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee blokken. Tijdens die periode mag hij wel deelnemen aan het onderwijs dat wordt gegeven. Het CBE heeft in administratief beroep die beslissing in stand gelaten.
De bestreden beslissing
3.       Het CBE heeft aan de beslissing ten grondslag gelegd dat de examencommissie terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] heeft gefraudeerd door plagiaat te plegen. Uit het aanvullende onderzoek van de examencommissie, waarin contact is geweest met het stagebedrijf, is gebleken dat de ingeleverde tekeningen aanzienlijke overeenkomsten vertonen met eerder door een medewerker van het stagebedrijf vervaardigd werk. [appellant] heeft nagelaten dit gebruik te vermelden of te verantwoorden. Dit nalaten voldoet aan de omschrijving van fraude in artikel 4.12 van de onderwijs- en examenregeling HU. Het CBE heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de hiervoor opgelegde sanctie niet onevenredig is. Daarbij heeft zij betrokken dat het gaat om fraude in een afstudeertoets en om herhaalde fraude. Dit zijn factoren die de examencommissie mocht meewegen in het vaststellen van de zwaarte van de sanctie. [appellant] heeft in de periode dat hij was uitgesloten van deelname aan toetsen wel kunnen deelnemen aan het onderwijs. Dat hij geen toetsen af kon leggen en daardoor studievertraging heeft opgelopen maakt de sanctie op zichzelf niet onevenredig, aldus het CBE.
Het beroep
4.       [appellant] betoogt dat hetgeen hem wordt verweten, slechts kan kwalificeren als een onregelmatigheid. Hij voert aan dat hij aan de door hem ingediende tekeningen van het stagebedrijf heeft bijgedragen. De ernst en de omvang van die onregelmatigheid zijn onvoldoende om te kunnen spreken van fraude. De opgelegde sanctie is daardoor onevenredig. De examencommissie mocht enkel de toets ongeldig verklaren. Voor de mogelijkheid om aanvullende maatregelen te treffen moet volgens de OER-HU namelijk sprake zijn van fraude. De uitsluiting staat volgens [appellant] niet in verhouding tot de verweten gedragingen. Door de ongeldigverklaring van het ingeleverde werk en de daaropvolgende uitsluiting van toetsen wordt hij feitelijk gedwongen om zijn stage opnieuw te doorlopen, althans de bijbehorende opdrachten en beroepsproducten opnieuw uit te voeren. Dit brengt een aanzienlijke extra belasting met zich mee, in zowel tijd als inspanning, en leidt tot verdere studievertraging. Dat het CBE de sanctie niet onevenredig acht heeft zij onvoldoende gemotiveerd volgens [appellant].
Beoordeling van het beroep
Is de onregelmatigheid te kwalificeren als fraude?
4.1.    Tussen partijen is in geschil of de onregelmatigheid die de examencommissie heeft geconstateerd, te kwalificeren is als fraude. Op grond van artikel 4.12 van de OER-HU is sprake van fraude wanneer de onregelmatigheid het onmogelijk maakt voor de examinator om een goed oordeel te vormen over de kennis, inzicht en vaardigheden van de student.
4.2.    Niet in geschil is dat [appellant] bij de examinator tekeningen heeft ingeleverd die nagenoeg identiek zijn aan tekeningen die afkomstig zijn van het stagebedrijf. [appellant] heeft desgevraagd de gemaakte keuzes en het tekenwerk onvoldoende adequaat aan de examinator kunnen verklaren en toelichten, hetgeen heeft geleid tot het vermoeden dat hij niet volledig eigenstandig heeft gemodelleerd. [appellant] heeft ook verder iedere kans laten lopen om de door hem gestelde input in deze tekeningen toe te lichten. De examencommissie heeft op de zitting onweersproken toegelicht dat zij tot vier keer toe heeft gepoogd met hem hierover in gesprek te komen. Toen elke reactie van [appellant] uitbleef, heeft de examencommissie contact gezocht met het stagebedrijf. Het stagebedrijf heeft de originele tekeningen aan de examencommissie aangeleverd en de examencommissie heeft geconstateerd dat de tekeningen van [appellant] aanzienlijke overeenkomsten vertonen met de tekeningen die door het stagebedrijf zijn aangeleverd. Deze constateringen hebben het vermoeden ondersteund dat [appellant] de tekeningen niet volledig eigenstandig heeft gemodelleerd. Vanuit het stagebedrijf is verder verklaard dat het niveau van de tekeningen niet past bij de vaardigheden met het tekenprogramma die [appellant] tijdens zijn stage bij het bedrijf heeft laten zien. [appellant] is op de hoorzitting van het CBE niet verschenen en heeft evenmin de moeite genomen om (digitaal) deel te nemen aan de zitting van de Afdeling om daar zijn aandeel in de tekeningen toe te lichten. Gelet op het voorgaande is [appellant] voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn beweerdelijke aandeel in de tekeningen aan te tonen. Door werk in te leveren dat niet of niet controleerbaar als eigen werk kan worden aangemerkt, zonder dit te vermelden, heeft [appellant] het onmogelijk gemaakt voor de examinator om een oordeel vormen over de vraag of hij voldoet aan de eindtermen voor het vak BIM2-modelleur semester 4 (ADBM-BIM2-24). Het CBE heeft dan ook terecht de beslissing dat sprake is van fraude in de zin van de OER-HU in stand gelaten.
4.3.    Dit deel van het betoog slaagt niet.
Is de opgelegde maatregel evenredig?
4.4.    Op grond van artikel 4.12.1 van de OER-HU heeft de examencommissie de bevoegdheid om in het geval van fraude, naast het ongeldig verklaren van de toets, aan een student het recht te ontnemen om één of meerdere toetsen af te leggen gedurende een periode van maximaal één jaar. In het geval van [appellant] is ervoor gekozen om hem, naast de ongeldigverklaring, in Blok A en B van studiejaar 2025-2026 uit te sluiten van deelname aan toetsen. Dit komt neer op een periode van vier maanden. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat de examencommissie bij de vaststelling van de sanctie de omstandigheid dat de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan bij het afstuderen en dat sprake is van recidive als verzwarende factor heeft meegewogen. Op de zitting van de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat de examencommissie desalniettemin de sanctie heeft gematigd omdat [appellant] een tweejarige opleiding volgt en de maximale uitsluiting van een jaar onevenredig zou zijn ten opzichte van de opleidingsduur. Daarbij komt ook dat [appellant] gedurende die periode wel mag deelnemen aan het onderwijs. Op de zitting van de Afdeling heeft de examencommissie verder nog toegelicht dat als [appellant] met haar in gesprek was gegaan, hij had kunnen weten dat hij alleen was uitgesloten van toetsen en hij wel aan een afstudeeropdracht bij een nieuw stagebedrijf had kunnen beginnen. Door niet met de examencommissie in gesprek te gaan, heeft hij de mogelijkheid tot reparatie ook aan zich voorbij laten gaan.
De Afdeling is van oordeel dat het CBE en de examencommissie voldoende rekening hebben gehouden met de individuele omstandigheden van [appellant]. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie de sancties mocht opleggen. Dat [appellant] door de ongeldigverklaring en uitsluiting van deelname aan toetsen voor een periode van vier maanden studievertraging oploopt maakt de sanctie op zichzelf niet onevenredig. Dat deze maatregelen zijn getroffen is het directe gevolg van de door [appellant] gepleegde fraude en dus zijn eigen handelen.
4.5.    Ook dit deel van het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
705-1043
BIJLAGE
Wettelijk kader
Onderwijs- en examenregeling HU (OER-HU)
4.12 Onregelmatigheden
Als je iets doet of nalaat in strijd met de regels, richtlijnen en/ of aanwijzingen met betrekking tot het afleggen van toetsen, kan dat worden aangemerkt als een onregelmatigheid. Wanneer je een onregelmatigheid pleegt waardoor de examinator geen juist oordeel over jouw kennis, inzicht en vaardigheden kan vormen of dat van een medestudent, dan spreken we van fraude.
Als een examinator of surveillant voor of tijdens een toets vaststelt dat je je niet aan de regels houdt of dit vermoeden heeft, dan meldt degene dit aan de examencommissie. Ook als de examinator ná de toets vaststelt dat je je niet aan de regels hebt gehouden, meldt degene dit aan de examencommissie. De examencommissie stelt vervolgens een onderzoek in. Het onderzoek van de examencommissie naar het vermoeden van een onregelmatigheid ken een aantal procedurele stappen. De informatie hierover kun je nalezen in  de studiegids. Als de examencommissie het onderzoek heeft afgerond, neemt zij  een besluit op het vermoeden van een onregelmatigheid.
4.12.1 Maatregelen examencommissie
De examencommissie is bevoegd maatregelen te nemen in geval van geconstateerde onregelmatigheden.
De examencommissie kan de betreffende toets ongeldig verklaren en als Niet Geldig (NG) laten registreren in je studievoortgangsoverzicht. In geval van fraude, kan de examencommissie naast het ongeldig verklaren van de betreffende toets, je ook het recht ontnemen om één of meerdere toetsen af te leggen gedurende een periode van maximaal één jaar.
Ook kan de examencommissie de instituutsdirecteur adviseren om je inschrijving voor de opleiding definitief te beëindigen. Dit kan alleen bij  ernstige fraude of als je al  eerder een maatregel opgelegd hebt gekregen en je daardoor minimaal een half jaar was uitgesloten van toetsdeelname.
Van ernstige fraude is  bijvoorbeeld sprake bij  fraude voorafgegaan aan, vergezeld van of gevolgd door bedreiging/geweld of bij  het vervalsen van documenten.
De maatregel die door een examencommissie wordt opgelegd in  geval van een onregelmatigheid, heeft betrekking op de periode dat je als student staat ingeschreven. Als jij  je uitschrijft terwijl er nog een maatregel van de examencommissie open staat, dan herleeft deze maatregel zodra je je opnieuw inschrijft.