ECLI:NL:RVS:2026:4411

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202601536/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing aanvullende onderwijsvoorzieningen voor student met functiebeperking

Een student die de masteropleiding Rechtsgeleerdheid volgt, verzocht om extra tentamen- en onderwijsvoorzieningen vanwege een functiebeperking. De examencommissie kende enkele voorzieningen toe, zoals het vooraf ontvangen van gebruikte slides en extra tijd bij mondelinge toetsen, maar wees andere verzoeken af. Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van de student tegen deze afwijzing ongegrond.

De student stelde dat het beroep niet versneld had mogen worden behandeld en dat de studieadviseur en examencommissie meer passende voorzieningen hadden moeten toekennen, zoals een extra overlegmoment met de docent. De Raad van State oordeelde dat het CBE de versnelde behandeling terecht toepaste vanwege het spoedeisende belang en dat het niet onredelijk was dat docenten niet verplicht werden om vooraf casusuitwerkingen te verstrekken, omdat dit het leerdoel zou ondermijnen.

Verder werd geoordeeld dat het verzoek om een structureel extra overlegmoment niet onderdeel was van het oorspronkelijke verzoek en dat docenten wel bereid zijn om in concrete gevallen vragen te beantwoorden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de student tegen de gedeeltelijke afwijzing van onderwijsvoorzieningen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202601536/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 23 maart 2026 heeft de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid een verzoek van [appellant] om tentamen- en onderwijsvoorzieningen in verband met een functiebeperking gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.
Bij beslissing van 23 april 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
Het CBE en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026, waar [appellant] en het CBE, vertegenwoordigd door mr. J. Robbe en mr. F.M.Y. Coladarci-Rijnders, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] volgt de masteropleiding Rechtsgeleerdheid. De beslissing van 23 maart 2026 houdt in dat [appellant] voorafgaand aan onderwijsbijeenkomsten slides ontvangt, voor zover dergelijke slides daadwerkelijk worden gebruikt, en dat hij daarnaast extra tijd krijgt voor presentaties en andere mondelinge toetsmomenten.
2.       Het CBE heeft het administratief beroep versneld behandeld en de examencommissie daarom toestemming gegeven om geen verweerschrift in te dienen. Het CBE heeft aan de beslissing van 23 april 2026 ten grondslag gelegd dat van examinatoren niet kan worden verlangd dat zij speciaal voor [appellant], voorafgaand aan onderwijsmomenten, docentvoorbereiding en (casus)uitwerkingen of daarmee vergelijkbare stukken, indien die niet bestaan, maken en verstrekken. Het CBE heeft hierbij de toelichting van de vakcoördinator van het vak Arbeid en Geschilbeslechting betrokken. Daaruit valt af te leiden dat de onderwijsvorm zich niet leent voor deze door [appellant] gewenste voorziening. De werkvorm strekt ertoe studenten te leren juridisch te redeneren vanuit de aan hen in de werkgroep beschikbaar gestelde informatie. Het vooraf delen van de casus zou afbreuk doen aan het leerdoel van de onderwijsbijeenkomst.
3.       [appellant] betoogt dat het CBE het administratief beroep niet versneld had mogen behandelen. Daarvoor hebben hij en de examencommissie immers geen toestemming gegeven. Ook heeft het CBE de noodzaak om het administratief beroep versneld te behandelen onvoldoende onderbouwd.
3.1.    Het CBE heeft in het verweerschrift en op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat het met de versnelde behandeling van het administratief beroep heeft beoogd om het administratief beroep met voorrang te behandelen. Toestemming van partijen was daarvoor niet vereist. Ook anderszins is niet gebleken dat enige rechtsregel voor de behandeling van het administratief beroep is geschonden.
Het CBE heeft dit gedaan vanwege het belang van [appellant] bij spoedig uitsluitsel over de gevraagde voorziening. Het CBE heeft in de beslissing van 23 april 2026 toegelicht dat het vak Arbeid en Geschilbeslechting ten tijde van het instellen van het administratief beroep nog maar enkele onderwijsbijeenkomsten zou hebben en dat het afsluitende tentamen voor het vak op korte termijn zou worden afgenomen. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat deze procedurele beslissing van het CBE onvoldoende is onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
4.       [appellant] betoogt verder dat de studieadviseur en examencommissie zelf een passende voorziening hadden moeten toekennen in plaats van slechts te toetsen of de door hem verzochte voorziening kan worden toegewezen. Hij wijst op de mogelijkheid om de docent van het vak Arbeid en Geschilbeslechting op te dragen om een afspraak met hem in te plannen om na de onderwijsbijeenkomst alsnog rustig en duidelijk de antwoorden op zijn vragen te geven.
4.1.    Voorop wordt gesteld dat, zoals ook op de zitting is besproken, het op de weg van [appellant] lag om concrete voorzieningen bij de studieadviseur te vragen en dat het niet aan de studieadviseur is om aan een verzoek van [appellant] invulling te geven.
4.2.    [appellant] heeft, na de beslissing van de examencommissie van 23 maart 2026 en het instellen van administratief beroep, op 25 maart 2026 een e-mail aan het CBE gestuurd. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat hij tijdens de hoorzitting in administratief beroep bij wijze van voorlopige voorziening wil verzoeken de docent van het vak Arbeid en Geschilbeslechting op te dragen om een extra moment te plannen waarop zij de inhoud van de onderwijsbijeenkomst nog eens met hem bespreekt. Omdat dit verzoek pas is gedaan in het kader van een procedure over een voorlopige voorziening hangende de beslissing op het administratief beroep, is het geen onderdeel van het oorspronkelijke verzoek. Om die reden kon de examencommissie daarmee geen rekening houden.
4.3.    Overigens heeft het CBE op de zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat een voorziening, inhoudende dat docenten structureel wordt opgedragen na onderwijsbijeenkomsten de stof met [appellant] te bespreken, te ver gaat. Naar het oordeel van de Afdeling is dit niet onbegrijpelijk. Bovendien heeft [appellant] ook niet gesteld dat hij deze voorziening altijd nodig heeft. Dat neemt niet weg dat, zoals het CBE op de zitting heeft medegedeeld, docenten bereid zijn om in concrete gevallen vragen van studenten te beantwoorden. Als [appellant] concrete vragen heeft, kan hij die dus aan docenten stellen.
4.4.    Het betoog slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
452-1175