ECLI:NL:RVS:2026:4433

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202503490/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning beroepskwalificaties leraar wegens niet-tijdig bezwaar

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wees op 22 juni 2023 de aanvraag van appellante af voor erkenning van haar beroepskwalificaties als leraar voortgezet onderwijs en docent beroepsonderwijs. Appellante diende haar bezwaarschrift pas op 14 september 2023 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat het bezwaar te laat was ingediend.

Appellante voerde aan dat zij het besluit pas in de tweede helft van augustus 2023 had ontvangen, waardoor haar bezwaar binnen de termijn zou zijn ingediend. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat appellante deze stelling onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Zij had wisselende verklaringen gegeven en geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de te late indiening konden rechtvaardigen.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de erkenning van de beroepskwalificaties in stand vanwege het niet tijdig indienen van het bezwaar.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift blijft in stand.

Uitspraak

202503490/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2025 in zaak nr. 24/884 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om erkenning van haar beroepskwalificaties om te mogen werken als leraar voortgezet onderwijs in het vak Engels en als docent beroepsonderwijs en volwasseneneducatie afgewezen.
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026. [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1.       [appellante] heeft het bezwaarschrift gedagtekend op 14 september 2023 en het op 18 september 2023 per aangetekende post verzonden. Nadat de minister het bezwaarschrift op 20 september 2023 had ontvangen, heeft hij, bij brief van 15 december 2023, aan [appellante] verzocht om uit te leggen waarom zij het bezwaarschrift na het verstrijken van de termijn van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend. [appellante] heeft hierop bij brief van 28 december 2023 te kennen gegeven dat zij het besluit heeft ontvangen in de tweede helft van juli 2023 en dat zij, gerekend vanaf het moment dat het besluit bij haar bekend was, het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn heeft ingediend.
2.       De minister heeft aan zijn besluit van 23 januari 2024 ten grondslag gelegd dat [appellante] het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de bekendmaking van het besluit van 22 juni 2023 heeft ingediend. Ook gerekend vanaf de tweede helft van juli 2023 heeft [appellante] ruim de tijd gehad om tijdig bezwaar te maken. Zij heeft daarmee echter gewacht tot 14 september 2023. [appellante] is zelf verantwoordelijk voor het tijdig reageren op voor haar bestemde post. Aangezien zij dit niet heeft gedaan, zijn de gevolgen voor haar risico, aldus de minister.
3.       De rechtbank heeft overwogen dat de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken op 4 augustus 2023 en dat het bezwaarschrift dus ruim na afloop van deze termijn is ingediend. [appellante] heeft weliswaar bij brief van 26 januari 2024 te kennen gegeven dat zij in haar brief van 28 december 2023 per abuis heeft vermeld dat zij het besluit van 22 juni 2023 in de tweede helft van juli 2023 heeft ontvangen en dat zij heeft bedoeld dat zij het besluit in de tweede helft van augustus 2023 heeft ontvangen, maar zij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken blijkt verder dat haar adres niet is gewijzigd. Zij heeft andere poststukken van de minister wel tijdig ontvangen. Daarnaast heeft zij geen contact met de minister opgenomen nadat zij het besluit had ontvangen, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als zij het besluit pas na zeven weken zou hebben ontvangen. De rechtbank vindt het betoog van [appellante] daarom niet aannemelijk.
4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat zij het besluit pas in augustus 2023 heeft ontvangen.
4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] ook in hoger beroep geen concrete aanwijzingen gegeven voor haar standpunt dat zij het besluit pas in augustus 2023 heeft ontvangen. De Afdeling kan zich vinden in wat de rechtbank hierover heeft overwogen en voegt daar nog het volgende aan toe. [appellante] heeft in haar bezwaarschrift vermeld dat het is gericht tegen een besluit van 9 augustus 2023. Op de zitting heeft de Afdeling haar voorgehouden, net als de minister in zijn brief van 15 december 2023 heeft gedaan, dat zij de datum van (ontvangst van) het besluit op haar aanvraag mogelijk heeft verward met de in het besluit van 22 juni 2023 vermelde datum, waarop de minister haar aanvraag om erkenning van haar beroepskwalificaties heeft ontvangen (9 augustus 2022). [appellante] heeft daarop te kennen gegeven dat zij niet uitsluit dat het zo is gegaan. Verder is van belang dat [appellante] wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment van ontvangst van het besluit van 22 juni 2023. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de te late indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar zouden kunnen maken.
Het betoog slaagt niet.
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
452-1175