ECLI:NL:RVS:2026:459

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
202505552/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Fraude bij het gebruik van kunstmatige intelligentie in tentamens aan de Vrije Universiteit Amsterdam

In deze zaak heeft de examencommissie van de Faculteit der Bètawetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam op 2 juni 2025 een cijfer van 0,0 toegekend aan een opdracht van de appellante wegens fraude. De appellante, die de bachelor Artificial Intelligence volgt, had bij opdracht 3 vermoedelijk gebruik gemaakt van kunstmatige intelligentie, wat niet was toegestaan. De examinator meldde op 29 april 2024 een vermoeden van fraude aan de examencommissie, gebaseerd op de aanwezigheid van specifieke termen in de antwoorden van de appellante die duidden op het gebruik van kunstmatige intelligentie. De examencommissie heeft de beslissing op 16 juni 2025 gerectificeerd en de appellante uitgesloten van deelname aan tentamens in de periode van 1 tot 29 juni 2025. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van de appellante ongegrond. De appellante heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Raad van State, die de zaak op 2 december 2025 heeft behandeld. De Raad van State oordeelde dat de examencommissie terecht had geconcludeerd dat de appellante had gefraudeerd en dat de sancties die waren opgelegd, gerechtvaardigd waren. De appellante betoogde dat zij onvoldoende gelegenheid had gehad om zich te verdedigen en dat de rectificatie van de beslissing in strijd was met het vertrouwensbeginsel, maar de Raad van State verwierp deze argumenten. De uitspraak werd op 28 januari 2026 openbaar gemaakt.

Uitspraak

202505552/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 2 juni 2025 heeft de examencommissie van de Faculteit der Bètawetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: de examencommissie en de VU) het cijfer 0,0 toegekend aan een door [appellante] gemaakte opdracht en een waarschuwing gegeven wegens fraude.
Bij beslissing van 16 juni 2025 heeft de examencommissie haar beslissing van 2 juni 2025 gerectificeerd, aan de opdracht opnieuw het cijfer 0,0 toegekend en [appellante] uitgesloten van deelname aan tentamens en examens in de periode van 1 tot 29 juni 2025.
Bij beslissing van 17 september 2025 heeft het CBE het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door C.J.A. van Vliet, rechtsbijstandverlener in Markelo, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. S.A. Snoeren, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.       [appellante] volgt de bachelor Artificial Intelligence aan de VU. Voor het vak Computational Intelligence heeft zij vijf opdrachten moeten maken. Bij de examinator van het vak is het vermoeden gerezen dat zij bij opdracht 3 gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie, terwijl dit niet was toegestaan. Aan dit vermoeden heeft de examinator ten grondslag gelegd dat in de door [appellante] gegeven antwoorden de termen "Thought for 4 seconds", "Thought for 5 seconds" en "Thought for 7 seconds" staan, terwijl dit, gelet op de vraagstelling, niet passend is en deze termen mogelijk duiden op de tijd, waarbinnen de antwoorden door kunstmatige intelligentie zijn gegenereerd. De examinator heeft daarom op 29 april 2024 melding van een vermoeden van fraude bij de examencommissie gedaan.
Besluitvorming
3.       De examencommissie heeft bij beslissing van 2 juni 2025 geconcludeerd dat [appellante] heeft gefraudeerd door ongeoorloofd gebruik te maken van kunstmatige intelligentie. Zij heeft daarom het cijfer 0,0 aan opdracht 3 toegekend en haar een waarschuwing gegeven. Daarna is de examencommissie erachter gekomen dat [appellante] al een keer eerder fraude heeft gepleegd en dat haar toen al een waarschuwing is gegeven. Bij beslissing van 16 juni 2025 heeft de examencommissie daarom de beslissing van 2 juni 2025 gerectificeerd en bepaald dat naast het toekennen van het cijfer 0,0 [appellante] wordt uitgesloten van deelname aan toetsing in periode 6 (1 tot 29 juni 2025).
4.       [appellante] bestrijdt niet dat zij bij opdracht 3 gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie. Volgens haar valt het gebruik daarvan voor een vertaling en het verbeteren van de formulering van haar antwoorden echter niet onder fraude. Zij is het daarom niet eens met de beslissing van de examencommissie en heeft administratief beroep ingesteld.
Beoordeling van het beroep
5.       [appellante] voert aan dat de examencommissie en het CBE onvoldoende hebben onderbouwd dat het gebruik van kunstmatige intelligentie voor een spellingscontrole, een vertaling of het opzoeken van synoniemen als fraude in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Regels en Richtlijnen van de Examencommissie (hierna: R&R) kan worden aangemerkt.
5.1.    Zowel in de beslissing van de examencommissie van 16 juni 2025 als in de beslissing van het CBE is toegelicht dat uit artikel 19, tweede lid, aanhef en onder h, van de R&R volgt dat ‘het inleveren van werk dat is gegenereerd door middel van kunstmatige intelligentie, zonder dat dit is toegestaan als hulpmiddel, als zijnde eigen werk’ in ieder geval als fraude in de zin van artikel 19, eerste lid, van de R&R wordt aangemerkt. Anders dan [appellante] betoogt, is voor de vraag of sprake is van fraude dus bepalend of gebruik is gemaakt van kunstmatige intelligentie en niet met welk doel en of dat gebruik als hulpmiddel is toegestaan bij de betreffende toets of opdracht. Zowel in de studiehandleiding van het vak als in de instructies bovenaan opdracht 3 staat dat het gebruik van kunstmatige intelligentie als hulpmiddel bij opdracht 3 niet is toegestaan.
6.       [appellante] voert verder aan dat in de instructie van opdracht 3 staat dat 0 punten worden toegekend voor de vragen die met behulp van kunstmatige intelligentie zijn beantwoord. De examencommissie had daarom moeten volstaan met het toekennen van 0 punten voor de drie vragen waarin de termen "Thoughts for x seconds" voorkomen in plaats van het cijfer 0,0 aan de gehele opdracht toe te kennen.
6.1.    Op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijke onderzoek is de examinator en niet de examencommissie bevoegd een (deel van een) tentamen of examen te beoordelen. De instructie bij de opdracht richt zich derhalve tot de examinator en niet tot de examencommissie. De examencommissie is de bevoegde instantie om vast te stellen of een student fraude heeft gepleegd en of daarvoor een sanctie moet worden opgelegd.
6.2.    Het CBE heeft op goede gronden overwogen dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellante] bij het maken van de opdracht gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie, omdat in de antwoorden de termen "Thoughts for x seconds" voorkomen. Dat niet bij alle vragen kan worden achterhaald of [appellante] voor de beantwoording gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie, laat onverlet dat [appellante] fraude heeft gepleegd door in ieder geval bij drie vragen kunstmatige intelligentie te gebruiken, terwijl het gebruik daarvan bij de opdracht in het geheel niet was toegestaan. Evenals het CBE is de Afdeling daarom van oordeel dat de examencommissie terecht een sanctie heeft opgelegd.
7.       [appellante] betoogt dat in strijd met artikel 5:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) twee herstelsancties voor dezelfde overtreding zijn opgelegd, namelijk het toekennen van het cijfer 0,0 aan opdracht 3 en het uitsluiten van deelname aan toetsing in periode 6.
7.1.    Aan een toets of opdracht waarbij fraude is gepleegd, wordt het cijfer 0,0 toegekend, omdat door de fraude een betrouwbare beoordeling van de individuele kennis, inzichten en vaardigheden niet langer mogelijk is. Omdat op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de Onderwijs en - examenregeling (hierna: de OER) bij een beoordeling alleen gebruik kan worden gemaakt van cijfers tussen 1 en 10, is het cijfer 0,0 geen beoordeling in de zin van de OER, maar komt het neer op een ongeldigverklaring. Daarnaast kan als sanctie de student voor een bepaalde periode worden uitgesloten van deelname aan toetsing. Wanneer enkel de sanctie van uitsluiting van deelname aan toetsing wordt opgelegd, zonder dat het cijfer 0,0 aan de toets of opdracht wordt toegekend (dan wel dat deze ongeldig wordt verklaard), dan zou het door fraude behaalde resultaat voor de opdracht of toets blijven gelden. Als dat een voldoende was en het vak dus is gehaald, hoeft de student het vak niet meer opnieuw te doen en heeft de uitsluiting voor dat vak dus geen gevolgen. Omdat de sanctie van uitsluiting van deelname aan toetsing dus alleen effect sorteert wanneer ook het cijfer 0,0 aan de toets of opdracht wordt toegekend of de toets of opdracht ongeldig wordt verklaard, is sprake van één herstelsanctie. Artikel 5:6 van de Awb is daarom niet van toepassing.
8.       [appellante] voert aan dat zij zich onvoldoende heeft kunnen verdedigen tegen de haar verweten fraude, omdat zij pas na de beslissing van 2 juni 2025 door de examencommissie is gehoord en alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. Ook heeft het CBE ten onrechte van de examencommissie aangenomen dat haar tijdens het hoorgesprek op 11 juni 2025 wel inzage in het dossier is verleend. Aldus is sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.
8.1.    Vast staat dat de examencommissie voorafgaand aan de beslissing van 2 juni 2025 [appellante] geen inzage heeft gegeven in de stukken en haar niet heeft gehoord. Zoals het CBE heeft overwogen, heeft de examencommissie in de voorlopige beslissing van 22 mei 2025 wel concreet beschreven bij welke opdracht en in welke vorm [appellante] fraude heeft gepleegd. Uit de reactie van [appellante] daarop blijkt dat het voor haar duidelijk was dat de haar verweten fraude bestaat uit het gebruik van kunstmatige intelligentie, terwijl dit niet was toegestaan, en om welke opdracht het gaat. Het CBE heeft verder terecht overwogen dat [appellante] over haar eigen werk beschikte en daarmee ook inzicht had in haar dossier. De conclusie van het CBE dat de beslissing niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, is dan ook juist.
9.       [appellante] betoogt dat de rectificatie van de beslissing van 2 juni 2025 in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Gelet op de bewoordingen van de beslissing van 2 juni 2025 heeft zij er op mogen vertrouwen dat de beslissing definitief was geworden en dus geen nadere, zwaardere sanctie zou volgen.
9.1.    Bij de eerdere vaststelling van fraude is [appellante] er op gewezen dat bij herhaalde fraude een zwaardere sanctie wordt opgelegd en dat dit doorgaans het uitsluiten van deelname aan toetsing voor één of meer perioden betreft. Het CBE heeft dan ook terecht overwogen dat zij redelijkerwijs had kunnen weten dat sprake was van een administratieve vergissing. Bovendien is de beslissing van 2 juni 2025 binnen vijf uur gerectificeerd. De conclusie van het CBE dat [appellante] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat haar geen zwaardere sanctie zou worden opgelegd, is dan ook juist.
10.     [appellante] betoogt verder dat de beslissing van 16 juni 2025 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door haar uit te sluiten van alle toetsen in periode 6 kan zij dit studiejaar niet meer afstuderen.
10.1.  [appellante] heeft op de zitting toegelicht dat zij door het aanvragen van een extra tentamengelegenheid voor het vak Automata and Complexity en het omwisselen van een ander vak alsnog in het studiejaar 2024-2025 heeft kunnen afstuderen. Daarmee mist dit betoog feitelijke grondslag.
Conclusie
11.     Het beroep is ongegrond.
12.     Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
284-1160
BIJLAGE - Wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie
1        Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:
a.       het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,
[…]
2        Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.
3        De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.
[…]
Regels en Richtlijnen van de Examencommissie 2024-2025
Artikel 19 Fraude bij examens en tentamens
1        Onder fraude wordt verstaan ieder handelen of nalaten van een student waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden, of die van een andere student, geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt.
2        Als fraude wordt in ieder geval aangemerkt:
[…]
h.       het inleveren van werk dat is gegenereerd door middel van kunstmatige intelligentie, zonder dat dit is toegestaan als hulpmiddel, als zijnde eigen werk;
[…]
Artikel 20 Procedure en sancties
1        Indien de examinator vaststelt dan wel een grondig vermoeden heeft dat van fraude sprake is, maakt die hiervan onmiddellijk schriftelijk melding bij de Examencommissie.
2        De Examencommissie stelt de student schriftelijk in kennis van deze melding en nodigt de student uit om te worden gehoord over de vermeende fraude en besluit op grond van de stukken en zo mogelijk op de informatie die ingebracht is door de student tijdens de hoorzitting. Van de examinator kan een nadere toelichting worden gevraagd. Het is mogelijk dat de Examencommissie student pas uitnodigt om te worden gehoord nadat er
een provisioneel besluit is gestuurd.
3        In geval de Examencommissie heeft vastgesteld dat er sprake is van fraude, wordt een sanctie opgelegd.
4        In geval van fraude kan de Examencommissie met inachtneming van de beginselen van rechtsgelijkheid en proportionaliteit, het tentamen of het werkstuk, waarop de fraude betrekking heeft, het cijfer 0 toekennen of ongeldig verklaren en bovendien de student uitsluiten van het eerstvolgende desbetreffende tentamen. De Examencommissie kan de student ook opleggen om een reflectieverslag te schrijven. Tevens kan de
Examencommissie als onderdeel van de sanctie opleggen dat een plagiaatcertificaat wordt behaald voordat het cijfer wordt vrijgegeven.
5        In geval van recidive of een ernstige vorm van fraude kan de Examencommissie de student uitsluiten van deelname aan een of meer aan te wijzen tentamens of examens voor maximaal een jaar.
[…]
Teaching and Examination Regulations Bachelor’s programme in artificial intelligence academic year 2025-2026
Article 3.6
1        (Partial) grades are given on a scale from 1 to 10 with no more than one figure after the decimal point.
[…]