202404217/1/R1.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en anderen, wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2024 in zaken nrs. 22/3093, 22/3212 en 22/3213 in het geding tussen:
1. [appellant A] en anderen,
2. [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Woningstichting Eigen Haard voor het realiseren van een gebouw met daarin zestien studio’s op het perceel Sint Willibrordusstraat 43A in Amsterdam en het transformeren van de bestaande voormalige brandweerkazerne naar tien woningen op het perceel Van Ostadestraat 341 in Amsterdam.
Bij besluit van 10 mei 2022, neergelegd in een brief van 17 mei 2022 aan [appellant A] en anderen en in een brief van 18 mei 2022 aan [appellant B], heeft het college de door hen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 23 juli 2021 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.
Bij uitspraak van 24 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van [appellant B] ongegrond en het door [appellant A] en anderen tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B] en anderen gezamenlijk hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A], [appellant B] en anderen, het college en Woonstichting Eigen Haard hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 oktober 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. H.M. Kabir, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. van der Wal, zijn verschenen. Verder is op de zitting Woningstichting Eigen Haard, vertegenwoordigd door mr. R.D. van Oevelen, advocaat in Rotterdam, vergezeld door [personen] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Woonstichting Eigen Haard heeft een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo aangevraagd voor het, na sloop van een bestaande garage, oprichten van een gebouw met zestien studio's op het perceel Sint Willibrordusstraat 43A (hierna: de nieuwbouw). Ook heeft de aanvraag betrekking op het transformeren van de voormalige brandweerkazerne (hierna: de kazerne) naar tien woningen op het perceel Van Ostadestraat 341 in Amsterdam. De nieuwbouw bestaat uit een begane grond met een gemeenschappelijke woonkamer en keuken, een ruimte voor het personeel (kantoor/verblijf) en een inpandige fietsenstalling voor bewoners. Op de vier verdiepingen daarboven komen op elke verdieping vier studio’s met een eigen badkamer. De studio’s variëren van 32 m2 tot 34,6 m2 gebruiksoppervlakte.
Op de percelen is het bestemmingsplan "De Pijp 2018" (hierna: het bestemmingsplan) en op het perceel van de kazerne is ook het bestemmingsplan "De Pijp 2018, eerste herziening" (hierna: het herzieningsplan) van toepassing. De percelen hebben de bestemming "Maatschappelijk" en het perceel van de kazerne ook de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2" en "Waarde-Cultuurhistorie 1".
Het college heeft zich, voor zover in hoger beroep van belang, op het standpunt gesteld dat het gaat om, naast de tien woningen, zestien woonzorgstudio’s en dat het gebruik als zorgwoning past binnen de bestemming "Maatschappelijk". Vaststaat dat met de nieuwbouw de in artikel 12.2.2, onder b, van het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogte van 14 meter wordt overschreden tot ten hoogste 15,95 m. Volgens het college is het project in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft daarom medewerking verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan. Aan het besluit ligt het stuk "Ruimtelijke onderbouwing" mede ten grondslag.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat het gebruik van de studio’s past binnen de bestemming "Maatschappelijk". Het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat voor het project geen toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is vereist. Het college heeft zich volgens de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat geen parkeerplaatsen op de percelen hoeven te worden gerealiseerd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de nieuwbouw enig effect zal hebben op het aantal bezonningsuren van een nabijgelegen woning, dat de belangen van [appellant A] en anderen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken en dat de belangenafweging daarom onvoldoende is geweest. Dit gebrek heeft het college volgens de rechtbank echter op de zitting hersteld. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten.
2.1. [appellant A], [appellant B] en anderen kunnen zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. De Afdeling gaat ervanuit dat [appellant A] en anderen enerzijds en [appellant B] anderzijds zich niet kunnen verenigen met de uitspraak van de rechtbank voor zover die betrekking heeft op de door hen afzonderlijk aangevoerde gronden. [appellant B] acht de ongegrondverklaring van haar beroep onjuist. [appellant A] en anderen beogen een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar te bewerkstelligen en zijn het er niet mee eens dat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten wat betreft de beperking van bezonning door de zonnepanelen op het dak van het gebouw met de studio’s.
Is voor het project toestemming op grond van de Wet natuurbescherming nodig?
3. [appellant A], [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) nodig is. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college aan het in hun opdracht door natuuronderzoeker F. van der Vliet opgestelde advies geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen. Zij betwisten dat het rapport te algemeen van inhoud is. In het advies heeft Van der Vliet geconcludeerd dat het gebouw van de nieuwbouw veel hoger is dan de bestaande garage en daarom wel invloed zal hebben op vliegroutes van onder andere vleermuizen. Verder is niet uitgesloten dat er in een spleet in de muren van de garage en het pand Sint Willibrordusstraat 45 een gedeelte is dat vrij is van tocht en daardoor geschikt is als overwinteringsplaats voor de vleermuis. Ook is volgens het advies een kier tussen de gevel en een boeideel breed genoeg voor een vleermuis. Niet uitgesloten is dat de kazerne daarom ook verschuilmogelijkheden biedt. In 2016 is in een van de woningen van [appellant A], [appellant B] en anderen die aan de projectlocatie grenst een vleermuis aangetroffen.
Volgens hen had het college aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde vogels en vleermuizen. [appellant A] en anderen verzoeken de Afdeling om alsnog een deskundige te benoemen om te verifiëren of de door Van der Vliet genoemde schuilplaatsen daadwerkelijk geschikte schuilplaatsen zijn.
3.1. Als voor een activiteit, naast een omgevingsvergunning voor bouwen en gebruik, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen vergunning of ontheffing op grond van de Wnb is gevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen. Dit is de zogenoemde aanhaakplicht.
3.2. Het college is bij zijn besluiten ervan uitgegaan dat bedoelde aanhaakplicht in dit geval niet van toepassing is, omdat een toestemming op grond van de Wnb niet nodig is. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een rapport van ecologisch adviesbureau ECOquickscan van 31 januari 2019. In dat rapport wordt, voor zover hier van belang, op basis van een veldonderzoek geconcludeerd dat er in de bestaande gebouwen geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn aangetroffen. Er zijn weliswaar enkele openingen gezien in de gebouwen, maar die in de kazerne zijn vanwege het ontbreken van een vrije aanvliegroute niet goed toegankelijk voor vleermuizen. De openingen in de garage worden versperd door plantenmateriaal. Volgens het advies zal het transformeren van de kazerne en de sloop van de garage daarom geen negatief effect hebben op vleermuizen. Het college heeft het rapport van ECOquickscan laten beoordelen door de gemeentelijke stadsecoloog. Die heeft ingestemd met de conclusies in het rapport.
In het advies van Van der Vliet van 20 maart 2021, dat [appellant A] en anderen bij de rechtbank hebben ingebracht, staat dat het niet uitgesloten is dat een opening tussen de garage en het aangrenzende pand mogelijk gedeeltelijk tochtvrij is, en daardoor geschikt is als overwinteringsplaats, zij het dat die opening lastig is om aan- en af te vliegen voor vleermuizen. Ook staat in het advies dat niet is uit te sluiten dat vleermuizen zich verschuilen in toegankelijke openingen van de kazerne.
3.3. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie van die partij over het advies hebben aangevoerd.
3.4. De Afdeling overweegt dat in het advies van Van der Vliet niet staat dat er in de bestaande gebouwen daadwerkelijk geschikte vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. In dat advies wordt slechts gesteld dat niet uitgesloten is dat die plaatsen er zijn. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat de constatering in het rapport van ECOquickscan dat dergelijke plaatsen niet zijn aangetroffen, in het advies in zoverre dus niet wordt ontkracht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit wat in beroep in zoverre naar voren is gebracht over het advies van Van der Vliet, niet kan worden afgeleid dat het rapport van ECOquickscan wat betreft inhoud of wijze van totstandkoming gebrekkig is.
[appellant A] en anderen hebben in hoger beroep nog foto’s overgelegd, die zijn gemaakt tijdens een nadere inspectie van de bestaande gebouwen op de percelen en aangrenzende gebouwen door Van der Vliet op 16 oktober 2024. Op de foto’s zijn plaatsen te zien die volgens Van der Vliet schuilmogelijkheden voor vleermuizen zouden bieden. Uit die foto’s kan echter niet worden opgemaakt dat ten tijde van het nemen van de besluiten daadwerkelijk vleermuizen gebruik maakten van de door Van der Vliet gefotografeerde locaties als vaste rust- of verblijfsplaats.
De door [appellant A], [appellant B] en anderen ingenomen stelling dat vaste vliegroutes van vleermuizen worden belemmerd doordat de nieuwbouw hoger wordt dan de bestaande garage, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van ECOquickscan over vliegroutes. In dat rapport staat dat er geen negatief effect bestaat op vaste vliegroutes van vleermuizen. In het advies van Van der Vliet staat weliswaar dat de hogere bebouwing de situatie ongunstiger maakt, maar wordt niet nader geduid tot welke gevolgen dat leidt. De Afdeling ziet daarin daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn besluiten niet mocht baseren op het rapport van ECOquickscan. Verder zegt de omstandigheid dat in 2016 een vleermuis in een woning is aangetroffen niets over de vraag of de realisering van de studio’s en woningen nadelige gevolgen zullen hebben voor rust- en verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen.
In wat [appellant A] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er voor de aangevraagde bouwactiviteiten geen aanhaakplicht bestond. Gelet op het voorgaande heeft de Afdeling geen aanleiding gezien om alsnog een deskundige te benoemen.
Op de zitting heeft het college overigens te kennen gegeven dat het zich inspant om jaarlijks de winterverblijfplaatsen van vleermuizen in kaart te laten brengen.
Het betoog slaagt niet.
Past het gebruik van de 16 studio’s binnen de bestemming "Maatschappelijk"?
4. [appellant A], [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend voor gebruik dat niet past binnen de bestemming "Maatschappelijk". Volgens hen betreffen de studio’s namelijk min of meer zelfstandige woningen. Het zorgelement staat op de achtergrond. Zij wijzen erop dat in het bouwplan niet is voorzien in (zeer) intensieve begeleiding en zorg. In de gemeenschappelijke ruimte zal geen professionele dagbesteding kunnen plaatsvinden. Verder ontbreekt een therapieruimte, een ruimte voor medische behandelingen en een ruimte voor opslag en beheer van medicijnen. De bewoners hebben een eigen woonruimte met alle noodzakelijke voorzieningen, zoals een badkamer en een keukenblok, en een afsluitbare voordeur. [appellant A], [appellant B] en anderen betwisten dat er in de nacht standaard personeel aanwezig zal zijn. Er is geen sprake van 24 uurszorg. Verder voeren zij aan dat de bewoners overdag elders, en dus niet in het gebouw, een dagbesteding zullen hebben of werken.
Ook wijzen [appellant A], [appellant B] en anderen erop dat de studio’s volgens de basisregistratie adressen en gebouwen voor wonen zijn bedoeld en deze een eigen huisnummer hebben gekregen. Dat kan volgens hen alleen als het gaat om zelfstandige woningen.
4.1. Op grond van artikel 11, onder 11.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk" bestemd voor "maatschappelijke dienstverlening". Op grond van artikel 1, aanhef en onder 1.63, van de planregels wordt in deze regels verstaan onder "Maatschappelijke dienstverlening" onder meer een voorziening waar diensten op het gebied van woonzorg (waarbinnen woonzorgcentrum) worden verleend, waaronder mede ondergeschikte nevenfuncties ten behoeve van de diensten worden begrepen. Een "woonzorgcentrum" is volgens artikel 1, onder 1.95, van de planregels een gebouw of gedeelte van een gebouw waar een specifieke doelgroep, zoals ouderen, woont, die algemene en medische verzorging geniet en waar naast ruimten voor verzorging tevens bij het zorgcentrum behorende ruimten zijn inbegrepen.
De Afdeling overweegt dat de definitie van "woonzorgcentrum" diverse combinaties van wonen en zorg toestaat. Anders dan waarvan [appellant A], [appellant B] en anderen uitgaan, is het dus niet vereist dat de in de nieuwbouw te bieden zorg intensief is. Daarom is, anders dan zij lijken te veronderstellen, de mate van zelfstandigheid van de bewoning, zolang er ook zorg wordt geboden, niet van belang. Verder komt aan de inschrijving van de nieuwbouw in de basisregistratie adressen en gebouwen en de omstandigheid dat de studio’s een eigen huisnummer hebben niet de betekenis toe die [appellant A], [appellant B] en anderen daaraan toekennen. Bepalend is of het feitelijke gebruik dat van de nieuwbouw zal worden gemaakt, is te beschouwen als maatschappelijke dienstverlening als bedoeld in het bestemmingsplan. Concreet betekent dit hier dat de vraag voorligt of zorg wordt verleend aan de bewoners van de studio’s.
De Afdeling stelt verder aan de hand van de bouwtekening het volgende vast. Op de begane grond van de nieuwbouw komen een gemeenschappelijke keuken en een woon- en zitkamer. Ook komt daar een spreekkamer met daarin een opklapbed, een rolstoeltoegankelijke badkamer met toilet en een aparte toiletruimte. Op de verdiepingen komen 16 studio’s met elk een gebruiksoppervlakte van iets meer dan 30 m2. De studio’s beschikken over een eigen douche en toilet, een klein keukenblokje en een eigen toegangsdeur naar de gemeenschappelijke verkeersruimten.
In het stuk "Ruimtelijke onderbouwing", dat aan het besluit op bezwaar van 10 mei 2022 ten grondslag ligt, staat dat de 16 studio’s zullen worden gerealiseerd voor personen met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg, die niet zelfstandig kunnen wonen. Het college heeft Woonstichting Eigen Haard ten behoeve van de beslissing op de aanvraag om nadere informatie over de aard van het gebruik gevraagd. In een schriftelijke reactie hierop heeft zij te kennen gegeven dat jongeren in de leeftijd van 18 tot 35 jaar met een VG-profiel 1 tot en met 4 en 6 zullen worden gehuisvest. Hoewel niet alle bewoners 24-uurszorg nodig hebben, is daarin wel voorzien in de vorm van zorg overdag en een slaapwacht in de nacht. Op de zitting heeft Woonstichting Eigen Haard nog toegelicht dat de zorg wordt verleend aan personen die niet zelfstandig dagelijkse handelingen als douchen en koken kunnen verrichten. De maaltijden die zij eten worden gezamenlijk en onder begeleiding van zorgpersoneel in de gemeenschappelijke keuken bereid. De bewoners hebben de keuze om gezamenlijk te eten of in hun studio. In die studio beschikken zij over een klein keukenblokje, maar dat is niet geschikt om maaltijden te koken. Verder krijgen bewoners begeleiding om vanuit het woonzorggebouw naar hun dagbesteding of werk in een sociale werkplaats te gaan.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in de nieuwbouw zorg wordt verleend aan de bewoners en dat de nieuwbouw dus voldoet aan de definitie van "woonzorgcentrum" en daarmee dus in overeenstemming is met de bestemming "Maatschappelijk". De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik van het woonzorggebouw past binnen het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Is het bouwplan in strijd met de parkeereis van artikel 26.2.1 van de planregels?
5. [appellant A], [appellant B] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de studio’s en woningen geen parkeerplaatsen op het eigen terrein hoeven te worden gerealiseerd en dat het college zich daarbij mocht baseren op paragraaf 7.3 van de Nota parkeernormen Auto (hierna: de Parkeernota). Volgens [appellant A], [appellant B] en anderen is het in strijd met de rechtszekerheid dat op grond van de Parkeernota kan worden afgeweken van de vereiste parkeerbehoefte en er toch geen parkeerplekken hoeven te worden gerealiseerd. Daarbij wijzen zij erop dat de afwijkingsmogelijkheid in de Parkeernota te algemeen is geformuleerd. Ook wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1152. De door het college gegeven motivering dat in dit geval mocht worden afgeweken, achten zij onvoldoende. 5.1. In artikel 26, onder 26.2.1, van de planregels staat dat indien bij de afgifte van een omgevingsvergunning de omvang of de bestemming van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, in, op of onder dat gebouw dan wel op het bij het gebouw horende perceel, afhankelijk van de bestemming, grootte en bereikbaarheid per openbaar vervoer, het conform de Parkeernota te bepalen aantal parkeerplaatsen aanwezig moet zijn.
De Parkeernota bevat algemene normen voor het aantal parkeerplaatsen dat moet worden gerealiseerd bij woonfuncties, kantoren en overige functies. In paragraaf 8.4 van de Parkeernota staat dat als de aanvraag om een omgevingsvergunning voldoet aan de gestelde parkeernormen of de in het beleid opgenomen uitzonderingen, er ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ geen belemmering bestaat om de vergunning te verlenen. Vast staat dat bij toepassing van de relevante parkeernormen voor het project een behoefte aan drie parkeerplaatsen bestaat. In paragraaf 7.3 staat dat wanneer bij een solitaire ontwikkeling volgens de parkeernorm vier parkeerplekken of minder gerealiseerd moeten worden, er van de normen kan worden afgeweken. Dit zullen in de praktijk vooral kleine invulprojecten zijn. Het gaat hierbij om het afwijken van de eis om een bepaald aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein aan te leggen, zo staat in de Parkeernota.
In de enkele stelling van [appellant A], [appellant B] en anderen dat de afwijkingsmogelijkheid in de Parkeernota te algemeen is geformuleerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid in zoverre strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. Duidelijk is dat alleen als het gaat om een klein project, een solitaire ontwikkeling, er aanleiding voor het college kan bestaan om geen parkeerplaatsen op het eigen terrein te eisen. Voor zover [appellant A], [appellant B] en anderen bedoelen dat ten onrechte niet op voorhand vaststaat of het college in een concreet geval aanleiding zal zien om af te wijken van de parkeerbehoefte, is dat ook onvoldoende voor dat oordeel.
Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het project een solitaire ontwikkeling is. Het college vindt dat er op grond van de Parkeernota geen parkeerplaatsen op het eigen terrein hoeven te worden aangelegd. Daaraan heeft het de motivering ten grondslag gelegd dat de inpassing van drie parkeerplaatsen lastig en duur is. Ook heeft het college bij zijn standpunt betrokken dat de locatie goed bereikbaar is per openbaar vervoer. Verder zou het college uit parkeerdrukmetingen, zoals die zijn verricht voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "De Pijp 2018", zijn gebleken dat de parkeerdruk in de buurt weliswaar heel hoog is, maar dat er eigenlijk op alle gemeten momenten op loopafstand van de projectlocatie wel plekken zijn waar de parkeerdruk onder de 90% is. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college te kennen gegeven dat het daarbij gaat om de Tolstraat in Zuid, de Kuiperstraat in West en de 1e Jan van Steensstraat in Noord. Ook is het beleid om de stad zo autoluw mogelijk te maken. De parkeerbehoefte van het project kan daarom volgens het college worden afgewenteld op parkeerplaatsen in de openbare ruimte. In het besluit op bezwaar heeft het college nog vermeld dat de parkeerdruk in de toekomst wellicht nog verlaagd kan worden, indien de Willibrordusgarage wordt gerealiseerd.
In wat [appellant A], [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet met toepassing van paragraaf 7.3 heeft mogen afwijken van het uitgangspunt van de Parkeernota dat in dit geval drie parkeerplaatsen op het eigen terrein moeten worden aangelegd. Dat het bouwplan niet voorziet in drie parkeerplaatsen op het eigen terrein is dus in overeenstemming met de Parkeernota. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat aan de parkeereis van artikel 26.2.1 is voldaan en het bouwplan daarmee niet in strijd is.
Het betoog slaagt niet.
Afstand dakuitbouw kazerne
6. [appellant A], [appellant B] en anderen betogen dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend in strijd met artikel 11.2, aanhef en onder b, onder 2, van de regels van het herzieningsplan. Volgens hen zijn de dakuitbouwen van de kazerne in strijd met die planregel binnen 0,5 meter van de zijdelingse perceelgrenzen gesitueerd.
6.1. [appellant A], [appellant B] en anderen hebben deze grond niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Mocht de rechtbank de rechtsgevolgen in stand laten?
7. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten van het vernietigde besluit op bezwaar. Zij wijzen in dat verband op de resultaten van het in hun opdracht verrichte bezonningsonderzoek van adviesbureau Bezonningsingenieur.nl. Daaruit blijkt volgens hen dat de lichtinval in hun woningen aanzienlijk minder wordt. Een aantal van hen zal daardoor minder opbrengst hebben van de zonnepanelen op hun woning, aldus [appellant A] en anderen. Volgens hen kan de nieuwbouw bovendien worden gerealiseerd zonder de extra bouwhoogte die nodig is voor de zonnepanelen en de liftopbouw.
7.1. De Afdeling begrijpt de aangevallen uitspraak zo dat de rechtbank, voor zover hier van belang, het besluit op bezwaar heeft vernietigd, omdat het college door zich te baseren op de bezonningsstudie van architectenbureau 9graden architectuur een onjuiste afweging van belangen heeft gemaakt wat betreft bezonning van en lichtinval in nabijgelegen woningen. In die bezonningsstudie zijn volgens de rechtbank de liftopbouw en zonnepanelen, die 45 cm uitsteken boven de dakrand van het gebouw met de 16 studio’s, namelijk ten onrechte niet meegenomen. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen in stand gelaten mede omdat uit de resultaten van een bezonningsonderzoek van Bezonningsingenieur.nl naar voren is gekomen dat er weliswaar een verslechtering van de bezonningssituatie is, maar dat die niet zodanig is dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen.
In wat [appellant A] en anderen in hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar niet in stand heeft mogen laten.
In het bezonningsonderzoek van Bezonningsingenieur.nl, dat is uitgevoerd in opdracht van [appellant A] en anderen, is de mate van bezonning op de woning [locatie] onderzocht. In het rapport van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van het gebouw met de zestien studio’s ertoe leidt dat op de maatgevende dag 19 februari de bezonning van twee van de vijf ramen van die woning in duur met 26% afneemt. In het rapport wordt geconstateerd dat daardoor bij die twee ramen niet meer wordt voldaan aan de zogenoemde "lichte TNO-bezonningsnorm". Daarmee wordt bedoeld dat die ramen in de periode van 19 februari tot 21 oktober niet ten minste twee uur bezonning per dag krijgen. Op de zitting bij de rechtbank heeft het college echter toegelicht dat het niet aansluit bij de lichte TNO-norm. Binnen het centrum zijn legio voorbeelden waar de bezonning beduidend minder is, aldus heeft het college te kennen gegeven. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het wat betreft bezonning individuele beoordelingen maakt over de aanvaardbaarheid van een situatie, waarbij een bouwplan wat betreft bezonning akkoord is als aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. In dit geval is volgens het college de verslechtering van de bezonningssituatie niet zodanig dat van de omwonenden niet kan worden gevergd om die te accepteren.
De Afdeling overweegt dat het college de lichte TNO-norm dus niet doorslaggevend laat zijn bij de vraag of omgevingsvergunning kan worden verleend als een bouwwerk leidt tot verslechtering van de bezonningssituatie en daarmee de lichtinval in een woning. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het rapport van Bezonningsingenieur.nl geen aanleiding moeten zien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning vanwege deze verslechtering niet mocht worden verleend. De rechtbank heeft ervan mogen uitgaan dat, gegeven de beleidsruimte die een college heeft, het college in dit geval de verslechtering van de bezonningssituatie en daarmee de lichtinval van nabijgelegen woningen, mede gezien de ligging van het perceel, aanvaardbaar heeft mogen achten.
De door [appellant A] en anderen gestelde verminderde opbrengst van zonnepanelen leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat dit niet de mate van bezonning en lichtinval van hun woningen betreft. In wat [appellant A] en anderen hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak op dit punt niet in stand kan blijven.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
163-1136