202400068/1/R3
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Rotterdam,
2. [appellant sub 2], wonend in Rotterdam,
3. Transformatiehaven B.V., gevestigd in Dordrecht,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Feijenoord" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Transformatiehaven B.V. beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en Transformatiehaven B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar zijn verschenen:
- [appellant sub 2], voor zichzelf en als gemachtigde van [appellant sub 1];
- Transformatiehaven B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.H.J. van Driel, advocaat in Amsterdam;
- de raad, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, A.P. van der Veen en A.D. Harteveld.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 2 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de wijk Feijenoord in Rotterdam. Dit is een actualiserend bestemmingsplan met een overwegend conserverend karakter. Op een aantal locaties voorziet het plan in de mogelijkheid woningen te realiseren.
Opzet van de uitspraak
3. De Afdeling zal hierna eerst toelichten hoe zij een beroep gericht tegen een bestemmingsplan beoordeelt. Daarna zal de Afdeling de beroepsgronden tegen het vastgestelde bestemmingsplan bespreken. Omdat de beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] elkaar op onderdelen overlappen, worden in deze uitspraak hun beroepsgronden per onderwerp behandeld en niet per partij. Het beroep van Transformatiehaven B.V. zal wel afzonderlijk besproken worden. Aan het einde van de uitspraak volgt de conclusie voor alle beroepen.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]
5. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] en [appellant sub 2] aan de [locatie 2] in Rotterdam. Beide percelen liggen in het plangebied. Zij zijn het met name niet eens met de begrenzing van het bestemmingsplan "Feijenoord".
Omvang van het geding
6. De Afdeling stelt voorop dat het in deze procedure alleen gaat om de vraag of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan rechtmatig is. Daarom kunnen de betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], voor zover zij betrekking hebben op het bestemmingsplan "Mallegat", in deze procedure niet aan de orde komen. Dit geldt ook voor wat [appellant sub 2] betoogt over segregatie in de wijk Feijenoord.
Ingetrokken beroepsgrond
7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben op de zitting hun beroepsgrond over nieuwe voorzieningen, met uitzondering van nieuwe winkels, ingetrokken.
Relativiteit
8. De Afdeling wijst erop dat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het zogenoemde relativiteitsvereiste is opgenomen. In dit artikel is bepaald dat de Afdeling een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Inspraak
9. [appellant sub 2] betoogt dat Wijkraad Feijenoord te weinig inspraak heeft gehad bij de planvorming.
9.1. De Afdeling stelt voorop dat [appellant sub 2] alleen kan opkomen voor zijn eigen recht op inspraak. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.9. De beroepsgrond ziet niet op het recht op inspraak van [appellant sub 2] zelf en strekt daarom niet tot de bescherming van het belang waarvoor hij in deze procedure kan opkomen. Dat betekent dat deze beroepsgrond, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen. Plangrens
10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met de begrenzing van het plan verenigen. Daartoe voeren zij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3090, aan dat het plan ten onrechte alleen betrekking heeft op de wijk Feijenoord en niet ook op de voorziene woningbouwontwikkelingen aan het Mallegat en De Kaai, zodat de ruimtelijke effecten daarvan nu niet in samenhang kunnen worden beoordeeld. Dit terwijl de ontwikkelingen aan het Mallegat en De Kaai grote invloed zullen hebben op de leefbaarheid van de wijk. Ook is er volgens [appellant sub 2] geen samenhangende visie voor de wijk Feijenoord vastgesteld op grond waarvan het besluit is genomen. 10.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. De Afdeling acht daarbij van belang dat geen sprake is van zodanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden binnen en buiten het plangebied en wat er op die gronden is beoogd, dat geen sprake meer zou zijn van een goede ruimtelijke ordening door die gronden niet in één bestemmingsplan op te nemen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het bestemmingsplan "Feijenoord" zich voornamelijk richt op een actualisatie van verouderde plannen. Ook omvat het plangebied van het bestemmingsplan "Feijenoord" slechts een beperkt deel van het stadsdeel Feijenoord. De ontwikkelingen aan het Mallegat en De Kaai betreffen zelfstandige ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan "De Kaai" voorziet in de transformatie van een zelfstandige bedrijfslocatie naar een woongebied met verschillende voorzieningen. Het bestemmingsplan "Mallegat" maakt een woontoren met verschillende voorzieningen mogelijk op de plek waar voorheen een gasontvangststation stond tussen de woonbuurt Feijenoord en het Mallegatpark.
Voor zover wordt aangevoerd dat het noodzakelijk is de ontwikkelingen in het gebied Feijenoord integraal te beoordelen, overweegt de Afdeling dat de raad dit heeft gedaan door het "Toekomstperspectief Kop van Feijenoord 2040" van 10 maart 2023 mede aan het plan ten grondslag te leggen.
Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3090, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak ziet op een andere situatie, omdat zij gaat over een plan dat een integrale, gefaseerde ontwikkeling van het gebied Feyenoord City mogelijk maakte. De Afdeling zag om de redenen, genoemd onder 7.1 van die uitspraak, geen ruimte om te voldoen aan het verzoek van de raad tot het ten dele gewijzigd in stand laten van onderdelen van het plan nadat zij had geoordeeld dat het plan wat betreft het stadionproject niet uitvoerbaar is. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de raad er in dit geval voor had moeten kiezen om één integraal bestemmingsplan voor het gebied Feijenoord vast te stellen, inclusief de woningbouwontwikkelingen Mallegat en De Kaai. Het betoog slaagt niet.
Woonbestemming
11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend aan het in september 2023 opgeleverde gebouw aan de Persoonsdam 158 tot en met 200 in Rotterdam.
11.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroepen zich op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat in dit geval niet gaat over bescherming van hun eigen belangen, maar de belangen van Transformatiehaven B.V. en de bewoners van de woningen aan de Persoonsdam. Omdat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste om die reden in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit, zal de Afdeling deze beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet bespreken. Overigens komt hun betoog hierna bij de bespreking van het beroep van Transformatiehaven B.V. wel inhoudelijk aan de orde.
Nieuwe winkels
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan ten onrechte geen nieuwe winkels mogelijk maakt. Zij wijzen erop dat een achterstandswijk als Feijenoord dat nodig heeft en dat ook de toekomstige bewoners van de nieuw te realiseren woontorens daar behoefte aan zullen hebben.
12.1. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] desgevraagd niet concreet gemaakt op welke wijze de omstandigheid dat het plan geen nieuwe winkels mogelijk maakt hun eigen belangen raakt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroepen zich dan ook op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat in dit geval niet gaat over bescherming van hun eigen belangen, maar over de belangen van andere (toekomstige) bewoners van de wijk Feijenoord. Omdat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden, zal de Afdeling deze beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet bespreken.
Het beroep van Transformatiehaven B.V.
13. Transformatiehaven B.V. is erfpachtgerechtigde en opstalgerechtigde van het perceel aan de Persoonsdam 158 tot en met 200 in Rotterdam (hierna: het perceel). De gemeente is eigenaar van het perceel.
14. Bij besluit van 15 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) aan Transformatiehaven B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het ter plaatse bouwen en gebruiken van 44 tijdelijke wooneenheden ten behoeve van sociale huurwoningen voor de periode 16 november 2022 tot en met 16 november 2037. In de omgevingsvergunning is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van de aangegeven termijn verplicht is het bouwwerk te verwijderen en de voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning bestaande toestand te herstellen. De flexwoningen zijn in september 2023 opgeleverd.
15. Het bestemmingsplan "Feijenoord" kent evenals het vorige plan aan de gronden van het perceel de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toe. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Nutsvoorziening" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen van openbaar nut.
16. Transformatiehaven B.V. kan zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" op het perceel. Volgens haar had het voor de hand gelegen de flexwoningen daar als zodanig te bestemmen. Zij voert in dat verband verschillende beroepsgronden aan die hieronder zullen worden besproken.
Vertrouwensbeginsel
17. Transformatiehaven B.V. betoogt dat de raad in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daarover voert zij aan dat, gezien de voorgeschiedenis en gedane toezeggingen, bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een woonbestemming aan het perceel zou worden toegekend. Zij stelt, onder verwijzing naar onder meer een brief van 12 april 2022 van het college aan de raad, dat zij op aandringen van het college wijzigingen heeft aangebracht in het aanvankelijk voorgestane bouwplan. Daardoor heeft zij kwalitatief hoogwaardigere woningen gebouwd die bedoeld zijn voor bewoning voor een periode langer dan 15 jaar, zo stelt Transformatiehaven B.V.
17.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
17.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder 11.2, dient de uitlating en/of gedraging in ieder geval toegesneden te zijn op de concrete situatie om een toezegging aan te nemen. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden zijn niet aan te merken als een toezegging. De brief van 12 april 2022 waar Transformatiehaven B.V. een beroep op doet, is een brief van het college aan de raad met als onderwerp "Versnelling Flexwonen" en bevat algemene informatie over de voortgang van tijdelijke woningbouwprojecten in de gemeente Rotterdam, waaronder die aan de Persoonsdam. Aan het einde van de brief staat ook dat de woningen van flexprojecten na de afgesproken exploitatietermijn weer worden opgeruimd. De brief bevat geen informatie over de toekomstige bestemming van het perceel. Ook de twee andere brieven van het college aan de raad(scommissie) waar Transformatiehaven B.V. naar verwijst, bevatten geen toezegging. De laatste brief waar zij naar verwijst dateert overigens van na het bestreden besluit. Ook anderszins heeft Transformatiehaven B.V. niet aannemelijk gemaakt dat er een concrete toezegging is gedaan waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad aan het perceel een woonbestemming zou toekennen. Uit de op de zitting door Transformatiehaven B.V. gestelde omstandigheid dat de bouwaanvraag voor de flexwoningen aan redelijke eisen van welstand is getoetst, kon en mocht zij dat redelijkerwijs niet afleiden.
De raad heeft dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door de door Transformatiehaven B.V. gewenste woonbestemming niet toe te kennen aan het perceel.
Het betoog slaagt niet.
Zorgvuldigheidsbeginsel
18. Transformatiehaven B.V. betoogt dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door geen woonbestemming aan het perceel toe te kennen. In dat kader voert zij aan dat dit in strijd is met het masterplan "Kop van Feijenoord, 2e fase Kop van Zuid" uit 2012 (hierna: het masterplan), aangezien het perceel daarin is aangewezen als woningbouwlocatie. Zij voert daarnaast aan dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bestaande legale bouw- en gebruiksmogelijkheden als zodanig bestemd moeten worden. Zij wijst er op dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woningen binnen de planperiode zullen worden verwijderd, aangezien de in de omgevingsvergunning aangegeven termijn van 15 jaar langer is dan de planperiode van 10 jaar. Ook voldoen de woningen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 voor permanente bouw, zodat de woningen er om die reden langer dan 15 jaar kunnen staan en in het plan als zodanig bestemd hadden moeten worden.
18.1. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen.
18.2. Het enkele feit dat Transformatiehaven B.V. voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan bij brief van 28 september 2023 de raad heeft verzocht de flexwoningen als zodanig te bestemmen, nog daargelaten of dat tijdig is, betekent nog niet dat dit initiatief ook in het bestemmingsplan had moeten worden opgenomen. Weliswaar dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan met een concreet initiatief rekening te houden, maar dit houdt slechts in dat de raad dient te bezien of dat initiatief strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en, gelet op alle daarbij betrokken belangen, in het bestemmingsplan kan worden opgenomen. Uit deze belangenafweging kan voortvloeien dat een concreet initiatief niet in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2721, onder 10.2. De raad heeft toegelicht dat de herinrichtingsplannen voor het perceel nog niet uitgekristalliseerd waren op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan en daarom op dat moment nog geen woonbestemming aan het perceel kon worden toegekend. Bij die keuze zijn ook de belangen van Transformatiehaven B.V. en de bewoners van de flexwoningen betrokken. De raad heeft daarover toegelicht dat voldoende is gewaarborgd met de tijdelijke omgevingsvergunning dat de woningen kunnen blijven staan en het woongebruik kan worden voortgezet tot en met 16 november 2037.
De Afdeling stelt vast dat het juist is dat de woningen op grond van de omgevingsvergunning tot en met 16 november 2037 kunnen blijven staan en het gebruik van de woningen in ieder geval tot dat moment kan worden voortgezet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende rekening gehouden met de wens van Transformatiehaven B.V. om de flexwoningen als zodanig te bestemmen en voldoende gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om hiervan af te zien bij de vaststelling van dit bestemmingsplan.
18.3. De verwijzing van Transformatiehaven B.V. naar het masterplan leidt niet tot een ander oordeel. Het masterplan dateert uit 2012 en gold niet meer op 9 november 2023, de datum waarop het bestemmingsplan werd vastgesteld. Daarom kon de raad het plan daaraan niet toetsen. Op het moment van vaststelling gold het "Toekomstperspectief Kop van Feijenoord", dat op 10 maart 2023 is vastgesteld. Uit paragraaf 2.3.10 van de plantoelichting blijkt dat de raad aan dit gemeentelijke beleid heeft getoetst. Het perceel valt volgens het beleid binnen de categorie "Herontwikkeling Persoonsdam". Daarover staat in het Toekomstperspectief onder meer het volgende: "Daarnaast speelt voor de herontwikkeling van het zuidelijke deel de vraag hoe dit te combineren met de vraag naar wonen, hoeveel maatschappelijk programma komt er bij en of dit te combineren met woningen." Hieruit blijkt niet dat het perceel uitsluitend in beeld is als woningbouwlocatie. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat de raad door geen woonbestemming aan het perceel toe te kennen in strijd heeft gehandeld met het Toekomstperspectief.
18.4. Ook de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1654, onder 3.4, waarnaar Transformatiehaven B.V. heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die vaste rechtspraak volgt dat legaal bestaande bebouwing/bestaand gebruik in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan moet worden bestemd. In deze zaak gaat het echter om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van 15 jaar. Hieruit volgt dat het na deze periode niet meer is toegestaan dat de 44 vergunde woningen als zodanig worden gebruikt of op het perceel aanwezig zijn. Dat de woningen aan de eisen voor permanente bouw uit het Bouwbesluit 2012 voldoen, betekent niet dat ze niet overeenkomstig de tijdelijke omgevingsvergunning na 15 jaar verwijderd moeten worden. Verder overweegt de Afdeling dat de vaste planperiode van tien jaar sinds 1 juli 2018 niet meer geldt, zodat aan het feit dat de omgevingsvergunning is verleend voor de duur van 15 jaar niet de betekenis toekomt die Transformatiehaven B.V. daaraan toekent.
18.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door geen woonbestemming aan het perceel toe te kennen.
Het betoog slaagt niet.
Bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening"
19. Transformatiehaven B.V. betoogt dat het in stand laten van de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" uit het vorige plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij wijst erop dat deze bestemming op het perceel niet binnen de planperiode uitvoerbaar is, omdat de voorheen op het perceel aanwezige nutsvoorzieningen inmiddels zijn gesloopt en het ook niet voor de hand ligt dat de percelen in de planperiode weer voor nutsvoorzieningen zullen worden gebruikt. Transformatiehaven B.V. betoogt verder dat sprake is van een onevenredige belangenafweging door te kiezen voor een bestemming die niet zal worden verwezenlijkt, terwijl het financiële belang van Transformatiehaven B.V. en de belangen van de bewoners van de woningen veel zwaarwegender zijn. Zij wijst erop dat de raad er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij voor de financiering van het project een kredietovereenkomst heeft moeten sluiten waaraan de voorwaarde van een positieve bestemming is verbonden, terwijl soortgelijke woningbouwprojecten inmiddels gesubsidieerd worden.
19.1. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" een conserverend karakter heeft, omdat het perceel die bestemming in het voorheen geldende bestemmingsplan ook had. Bij de afweging of het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" aan de gronden van het perceel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, heeft de raad betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het perceel onderdeel uitmaakt van een gebied waarvoor herinrichtingsplannen bestaan. Ten tijde van de planvaststelling waren deze plannen nog niet uitgekristalliseerd. De Afdeling ziet in wat Transformatiehaven B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen kiezen voor een conserverende bestemming. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals ook onder 18.2 is overwogen, de woningen op grond van de omgevingsvergunning kunnen blijven staan en het gebruik kan worden voortgezet tot en met 16 november 2037. Transformatiehaven B.V. heeft daarnaast niet onderbouwd dat de financiële gevolgen van een conserverende bestemming voor haar zo groot zijn, dat de raad daaraan, ondanks zijn wens om alle mogelijkheden voor herinrichting in de toekomst open te houden en de waarborgen die de omgevingsvergunning biedt, een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Dat de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" niet uitvoerbaar is na afloop van de geldingsduur van de omgevingsvergunning, heeft Transformatiehaven B.V. naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling volgt het standpunt van de raad hierin, en overweegt dat uit het feit dat hier een nutsvoorziening aanwezig was al kan worden afgeleid dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de raad zo’n bestemming op voorhand onuitvoerbaar had moeten achten. De stelling van Transformatiehaven B.V. dat de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals ook onder 18.4 is overwogen, geldt de planperiode van tien jaar sinds 1 juli 2018 niet meer, zodat hieraan niet de betekenis toekomt die Transformatiehaven B.V. daaraan toekent.
19.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de keuze om de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" te handhaven niet redelijkerwijs in het belang van een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Verder ziet de Afdeling ook in wat Transformatiehaven B.V. verder heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" op voorhand niet uitvoerbaar had moeten achten.
Het betoog slaagt niet.
Privaatrechtelijke belemmering
20. Transformatiehaven B.V. betoogt dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Zij wijst erop dat als de raad na 15 jaar een alternatief woningbouwproject op de percelen wenst te ontwikkelen, hij daarvoor de medewerking van Transformatiehaven B.V. als erfpacht- en opstalgerechtigde nodig heeft, en dat dit dus geen goed argument is om geen woonbestemming aan de percelen toe te kennen.
20.1. De Afdeling stelt vast dat een door Transformatiehaven B.V. bedoeld project geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende bestemmingsplan. Dit betreft een mogelijke toekomstige ontwikkeling, waarover nog besluitvorming moet volgen, zoals hiervoor ook is overwogen. Wat Transformatiehaven B.V. hierover naar voren brengt kan, wat daar ook van zij, dan ook niet tot gevolg hebben dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Om deze reden gaat de Afdeling niet verder inhoudelijk op deze beroepsgrond in.
Conclusie
21. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Transformatiehaven B.V. zijn gelet op het voorgaande ongegrond.
22. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
780-1091