ECLI:NL:RVS:2026:494

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
202402283/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7:274d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging omgevingsvergunning extra bouwlaag studentenwoningen in Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 22 februari 2021 een omgevingsvergunning voor het realiseren van een extra bouwlaag met drie studentenwoningen aan een woning in Den Haag. Belanghebbenden maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat ongegrond werd verklaard, maar met drie extra voorwaarden. Zowel aanvrager als belanghebbenden stelden beroep in tegen het besluit op bezwaar. Het college wijzigde het besluit op bezwaar op 1 november 2023.

De rechtbank verklaarde in februari 2024 de beroepen gegrond en vernietigde het besluit van 1 november 2023, met name omdat artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" volgens de rechtbank in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en onverbindend moest worden geacht. Het college stelde hiertegen hoger beroep in.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het rechtszekerheidsbeginsel als grond voor onverbindendheid van artikel 5.1 heeft aangenomen. De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin het evidentiecriterium geldt en concludeert dat artikel 5.1 niet evident in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van aanvrager en belanghebbenden ongegrond verklaard.

Het besluit van 1 november 2023 herleeft, waarbij de omgevingsvergunning twee voorschriften bevat: bewoning uitsluitend door studenten met bewijs van inschrijving en reservering van parkeerplaatsen voor bewoners van specifieke locaties. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van aanvrager en belanghebbenden ongegrond verklaard.

Uitspraak

202402283/1/R3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in zaaknrs. 21/5750 en 21/5436 in de gedingen tussen:
het college
en
[aanvrager van de vergunning], wonend in Nootdorp,
en
het college
en
[belanghebbende A] en [belanghebbende B], beiden wonend in Den Haag
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2021 heeft het college [aanvrager van de vergunning] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een extra bouwlaag op haar woning aan de [locatie 1] in Den Haag.
Bij besluit van 19 juli 2021 heeft het college het door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, maar aan de omgevingsvergunning drie extra voorschriften verbonden.
Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college het besluit van 19 juli 2021 deels aangevuld en deels gewijzigd.
Bij uitspraak van 23 februari 2024 heeft de rechtbank, voor zover nu nog van belang, de door [aanvrager van de vergunning] en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 1 november 2023 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, en [aanvrager van de vergunning], vertegenwoordigd door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat in Den Haag, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       [aanvrager van de vergunning] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een extra bouwlaag voor drie studentenwoningen (met eigen huisnummers) op de woning aan de [locatie 1] in Den Haag. Het gaat om de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
4.       Het college heeft de omgevingsvergunning bij besluit van 22 februari 2021 verleend. Volgens het college past het bouwplan binnen het geldende bestemmingsplan "Laakwijk - Schipperskwartier" en heeft de welstandscommissie positief over het bouwplan geadviseerd.
5.       [belanghebbende A] en [belanghebbende B], die achter de woning wonen aan de [locatie 2] in Den Haag, hebben bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 19 juli 2021 ongegrond verklaard, maar aan de verleende omgevingsvergunning drie extra voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn dat i) de drie woningen elk alleen door één student bewoond mogen worden, ii) de parkeerplaats aan de [locatie 3] uitsluitend gereserveerd blijft voor de bewoners van de [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6] en iii) voldaan moet worden aan de nieuwbouweis voor fietsparkeren.
6.       Zowel [aanvrager van de vergunning] als [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben tegen dit besluit op bezwaar beroep ingesteld. Hangende beroep heeft het college geconstateerd dat het besluit op bezwaar gebreken vertoonde en dit besluit bij besluit van 1 november 2023 aangevuld en gewijzigd. In het besluit van 1 november 2023 is vermeld dat ook sprake is van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Om te voldoen aan de parkeereis is namelijk gebruikgemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 6, onder a, onder 1˚, van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" om af te wijken van de in artikel 5.1 van dit bestemmingsplan opgenomen bepaling dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, in de zin dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort. Verder heeft het college het voorschrift dat de drie woningen elk alleen door één student bewoond mogen worden vervangen door het voorschrift dat de bewoning van de wooneenheden uitsluitend mag plaatsvinden door studenten in de zin van artikel 7:274d van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe moet een campuscontract kunnen worden overgelegd of op andere wijze kunnen worden aangetoond dat de bewoner staat ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Ten slotte heeft het college het voorschrift dat voldaan moet worden aan de nieuwbouweis voor fietsparkeren laten vervallen, omdat deze nieuwbouweis niet geldt en dit voorschrift dus ten onrechte was gesteld.
Uitspraak van de rechtbank
7.       De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:465, onder meer overwogen dat artikel 5.1 uit het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en onverbindend moet worden geacht. Het bouwplan kan dan ook niet in strijd zijn met deze planregel, zodat geen omgevingsvergunning voor het afwijken van deze regel is vereist. Gelet hierop mocht het college de voorschriften die verband houden met artikel 5.1 uit het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" niet verbinden aan de omgevingsvergunning, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft daarom de beroepen gegrond verklaard en het besluit van 1 november 2023 vernietigd.
8.       Het college heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
9.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 5.1 uit het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en onverbindend moet worden geacht.
9.1.    De mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit over de verlening van een omgevingsvergunning strekt niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over vergunningverlening wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dan moet de bestemmingsregeling alleen onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Om evident te zijn, is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.
9.2.    In de uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het college, net zoals aan de orde was in de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1029, en 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2822, niet heeft verduidelijkt wat met de zinsnede "indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft", zoals opgenomen in artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren", wordt bedoeld. Uit die zinsnede kan volgens de rechtbank worden afgeleid dat niet in alle gevallen aan de Nota parkeernormen Den Haag wordt getoetst, maar alleen wanneer de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft. Wanneer dat het geval is, is niet duidelijk. Dit betekent volgens de rechtbank dat artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel en daarom onverbindend moet worden geacht.
9.3.    De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2024 bij uitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1423, vernietigd. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank in die uitspraak niet de juiste toetsingsmaatstaf, te weten het evidentiecriterium, gehanteerd. Vervolgens heeft de Afdeling geoordeeld dat met artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" is bedoeld dat de zinsnede "indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft" en de norm "voldoende parkeergelegenheid" in samenhang moeten worden bezien en worden ingevuld aan de hand van de Nota parkeernormen Den Haag, genoemd in artikel 5.1, onder b, van dit bestemmingsplan. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de bedoelde bepaling evident in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de Afdeling.
9.4.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank in de uitspraak die in deze zaak voorligt ten onrechte onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 januari 2024 heeft overwogen dat artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en onverbindend moet worden geacht. Het betoog van het college slaagt.
Conclusie
10.     Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de beroepen gegrond heeft verklaard, het besluit van 1 november 2023 heeft vernietigd en heeft bepaald dat het college de door [aanvrager van de vergunning] enerzijds en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] anderzijds gemaakte proceskosten en het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, zal de Afdeling de beroepen van [aanvrager van de vergunning] en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] alsnog ongegrond verklaren.
11.     Aangezien de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover aangevallen, herleeft het besluit van 1 november 2023. Concreet betekent dit dat aan de omgevingsvergunning nu de volgende twee voorschriften zijn verbonden:
i. de bewoning van de wooneenheden mag uitsluitend plaatsvinden door studenten in de zin van artikel 7:274d van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat hiertoe een campuscontract moet kunnen worden overgelegd dan wel dat op andere wijze wordt aangetoond dat de bewoner ingeschreven staat bij een hogeschool of universiteit;
ii. de parkeerplaats aan de [locatie 3] blijft uitsluitend gereserveerd voor de bewoners van [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6].
12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in zaak nrs. 21/5750 en 21/5436, voor zover aangevallen;
III.      verklaart de beroepen van [aanvrager van de vergunning] en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
752
BIJLAGE
RELEVANTE REGELGEVING
Bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren"
Artikel 5 Algemene Pro bouw- en gebruiksregels
5.1 Algemeen
a.       Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, mag een gebouw of functie alleen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort;
b.       of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder a wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in:
1.       voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
2.       voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
c.       burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen Den Haag en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
Artikel 6 Algemene Pro afwijkingsregels
a.       Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de (fiets)parkeernormen als bedoeld in artikel 5.1 onder b die worden gehanteerd voor het parkeren van voertuigen, fietsen en bromfietsen alsmede de bepaling dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort de indien:
1.       op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien conform de voorwaarden zoals opgenomen in:
2.       het voldoen aan de (fiets)parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw of functie.