Art. 8:41 AwbArt. 8:67 AwbArt. G 2 KieswetArt. G 5 KieswetArt. D 8 Kieswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht en niet voldoen aan waarborgsom bij verkiezingsaanduiding
Het beroep van de politieke groepering ORDA richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van Utrecht om hun verzoek tot inschrijving van de aanduiding ‘ORDA/Oranje Republikeinse Piraten’ op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026 buiten behandeling te stellen.
ORDA werd bij brief op 21 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, dat uiterlijk op 22 januari 2026 om 10:00 uur moest zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad van State. Deze betaling heeft ORDA niet binnen de gestelde termijn voldaan, zonder dat er feiten of omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast merkt de Afdeling op dat ORDA ook niet voldaan heeft aan de wettelijke verplichting tot betaling van de waarborgsom zoals vereist in artikel G 2 van de Kieswet, waardoor het verzoek van het centraal stembureau terecht buiten behandeling is gelaten.
Een inhoudelijke beoordeling van het beroep is achterwege gebleven, maar de Afdeling benadrukt dat ook bij inhoudelijke toetsing het beroep ongegrond zou zijn verklaard. De wet biedt geen ruimte voor vrijstelling van de waarborgsomverplichting.
Uitkomst: Het beroep van ORDA wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en niet voldoen aan de waarborgsom, waardoor het verzoek terecht buiten behandeling is gesteld.
Uitspraak
202600196/1/A2.
Datum uitspraak: 23 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
ORDA, gevestigd in Nijmegen,
appellante,
en
het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 23 januari 2026 om 15:13 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzitter
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid
griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg, F. van Donselaar, D. de Charon de Saint German en C.A. van Barneveld-Willemsen;
de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. dr. A.J. Trouborst.
Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 13 januari 2026, waarbij het verzoek van de politieke groepering ORDA buiten behandeling is gesteld. ORDA heeft het centraal stembureau verzocht om de aanduiding ‘ORDA/Oranje Republikeinse Piraten’ in het daartoe door het centraal stembureau bijgehouden register in te schrijven. Met deze aanduiding wenst ORDA vermeld te worden op de kandidatenlijst tijdens de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van Utrecht op 18 maart 2026.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Gronden
ORDA is op grond van artikel 8:41 vanPro de Awb voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In artikel G 5, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel D 8, tweede lid, van de Kieswet, is in afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de termijn, binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag moet plaatsvinden, twee weken bedraagt. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen.
ORDA is bij brief van 21 januari 2026 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. In die brief is vermeld dat het griffierecht uiterlijk op 22 januari 2026 om 10:00 uur moet zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad van State. Het bedrag is niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat ORDA in verzuim is geweest.
Ten overvloede merkt de Afdeling op dat zij, als zij zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, het beroep van ORDA ongegrond had verklaard. ORDA heeft niet op uiterlijk 22 december 2025 de vereiste waarborgsom als bedoeld in artikel G 2 van de Kieswet betaald. Dit betekent dat zij niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting en dat het centraal stembureau het verzoek terecht buiten behandeling heeft gelaten. Voor zover ORDA zich op het standpunt stelt dat zij vrijgesteld had moeten worden van deze verplichting, merkt de Afdeling op dat de Kieswet deze ruimte niet biedt.