ECLI:NL:RVS:2026:515

Raad van State

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.000410
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 67 Vw 2000paragraaf A2/12.12.2 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over verwijdering E&S-signalering en ongegrondverklaring beroep

Appellant, een Albanese vreemdeling, is sinds 2016 ongewenst verklaard en gesignaleerd in het E&S-systeem vanwege een gevaar voor de openbare orde en het ontbreken van rechtmatig verblijf. Hij verzocht in 2023 om verwijdering van zijn E&S-signalering, los van de ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd afgewezen door de minister en het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de ongewenstverklaring nog steeds geldt en appellant daardoor niet in Nederland mag verblijven. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk belang heeft bij verwijdering van de signalering, bijvoorbeeld vanwege reputatieherstel en het verwijderen van persoonsgegevens.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang ontkende en vernietigde de uitspraak. Bij inhoudelijke beoordeling verwierp de Afdeling de bezwaren van appellant over vermeende vooringenomenheid, ondeugdelijke motivering en belangenafweging. De minister had terecht geoordeeld dat geen gewijzigde omstandigheden waren aangevoerd die verwijdering rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar appellant kreeg wel proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep op verwijdering van de E&S-signalering wordt ongegrond verklaard, maar het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

BRS.25.000410
Datum uitspraak: 2 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 maart 2025 in zaak nr. NL23.35334 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om verwijdering van zijn signalering in het systeem Executie en Signalering (E&S) afgewezen.
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Appellant is geboren op 9 juli 1993 en heeft de Albanese nationaliteit. De minister heeft hem op 12 mei 2016 ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en hij geen rechtmatig verblijf heeft. Ook heeft de minister appellant gesignaleerd in het E&S-systeem, een nationaal systeem voor signaleringen. Appellant heeft op 19 maart 2020 de minister verzocht om de ongewenstverklaring op te heffen. De minister heeft dat verzoek afgewezen en die afwijzing staat met de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2024 in zaak nr. 202300158/1/V2 in rechte vast.
1.1.        Appellant heeft op 4 januari 2023 de minister verzocht om zijn E&S-signalering te verwijderen. Dit verzoek is volgens appellant geen verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat de ongewenstverklaring nog steeds geldt en appellant geen gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om de signalering te verwijderen.
1.2.        De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat aan de E&S-signalering een ongewenstverklaring ten grondslag ligt en de ongewenstverklaring nog steeds geldt. Appellant mag dus nog steeds Nederland niet inreizen en hier verblijven, terwijl dat volgens de rechtbank het doel van appellant is bij deze procedure. De mogelijkheid om een verzoek tot verwijdering van een E&S-signalering in te dienen, is niet bedoeld om de inreis of het verblijf in Nederland te vergemakkelijken van vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep
2.        Appellant klaagt in zijn grieven over het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat appellant geen procesbelang heeft. Volgens appellant heeft hij meerdere belangen bij het verwijderen van de E&S-signalering en heeft deze procedure feitelijke betekenis voor hem.
2.1.        Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
2.2.        Volgens paragraaf A2/12.12.2 van de Vc 2000 kan een vreemdeling een verzoek indienen om een E&S-signalering te verwijderen, zonder dat die vreemdeling daarbij verzoekt om opheffing van de daaraan ten grondslag liggende ongewenstverklaring. De minister kan een signalering wissen als zich gewijzigde omstandigheden voordoen. Het vervallen van de grondslag van de signalering is een voorbeeld daarvan en ook de situatie dat de autoriteiten van een andere lidstaat aan de vreemdeling verblijf toestaan. De minister kan dus, al dan niet op verzoek van de vreemdeling, een E&S-signalering verwijderen, terwijl de ongewenstverklaring nog altijd geldt.
2.3.        Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn belang bij verwijdering van de E&S-signalering ook een ander belang zou kunnen zijn dan dat hij eventueel makkelijker toegang heeft tot Nederland. Het beleid in de Vc 2000 biedt immers uitdrukkelijk de mogelijkheid om een afzonderlijk verzoek tot verwijdering van een E&S-signalering te doen, waarbij de ongewenstverklaring ongewijzigd blijft. Appellant wijst in hoger beroep op het belang bij de verwijdering van zijn persoonsgegevens in het E&S-systeem en eventueel reputatieherstel.
2.4.        De Afdeling oordeelt daarom dat appellant procesbelang heeft bij de procedure over het verzoek om verwijdering van de E&S-signalering. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grieven slagen.
Conclusie hoger beroep
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarover na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Het beroep
4.        Appellant betoogt dat de minister het besluit van 11 oktober 2023 niet zonder vooringenomenheid heeft genomen, omdat de ambtenaar die het besluit heeft genomen op het kantoor van zijn advocaat werkte ten tijde van de signalering. Deze enkele omstandigheid acht de Afdeling onvoldoende voor het oordeel dat de minister vooringenomen heeft gehandeld. Het dossier bevat daarvoor geen aanwijzingen. De beroepsgrond slaagt niet.
5.        Appellant heeft verder betoogd dat de minister in het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet voldoet aan de vereisten voor verwijdering van zijn E&S-signalering. Hierbij heeft appellant gewezen op het tijdsverloop sinds de aanvang van zijn signalering.
5.1.        Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat appellant geen gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot verwijdering van de E&S-signalering. Tijdsverloop is niet zo’n omstandigheid. Ook heeft de minister erop gewezen dat appellant geen stukken heeft overgelegd om zijn verzoek te onderbouwen. Appellant heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de vereisten voor verwijdering van de E&S-signalering uit paragraaf A2/12.12.2 van de Vc 2000.
6.        Appellant voert ten slotte aan dat de minister een belangenafweging had moeten maken, omdat het niet langer evenredig is om de E&S-signalering te handhaven. Wat hij ter toelichting van deze grond aanvoert, komt erop neer dat tijdsverloop maakt dat zijn belangen zwaarder moeten wegen. Zoals onder 5.1 is overwogen, is tijdsverloop echter niet een omstandigheid die noopt tot verwijdering van de signalering. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
7.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft in beroep geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 maart 2025 in zaak nr. NL23.35334.
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026
1028