202405413/1/V1.
Datum uitspraak: 29 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 augustus 2024 in zaak nr. NL24.27381 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant stelt de Senegalese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Zij heeft op 23 juni 2024 een asielaanvraag ingediend, waaraan zij ten grondslag heeft gelegd dat haar oom en tante, bij wie zij sinds het overlijden van haar ouders verbleef, haar wilden uithuwelijken en dat zij voor dat huwelijk besneden moest worden. Haar oom heeft haar vervolgens bedreigd om ervoor te zorgen dat zij het huwelijk en de genitale verminking zou accepteren. De minister heeft dit asielrelaas geloofwaardig geacht, maar de aanvraag bij het besluit van 29 juni 2024 afgewezen, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen bescherming kan inroepen van de Senegalese autoriteiten tegen de dreiging van haar familie met gedwongen uithuwelijking en genitale verminking.
Hoger beroep
2. Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen bescherming kan inroepen van de Senegalese autoriteiten of ngo’s. Volgens appellant blijkt uit de door haar overgelegde landeninformatie dat in Senegal bij dreigende gedwongen uithuwelijking en vrouwelijke genitale verminking geen vervolging plaatsvindt en dat ngo’s geen hulp bieden bij het doen van aangifte en bij het uitblijven van strafvervolging.
2.1. De minister handhaaft in haar schriftelijke uiteenzetting haar standpunt dat appellant met de landeninformatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen bescherming kan inroepen tegen dreigende gedwongen uithuwelijking en vrouwelijke genitale verminking. De minister wijst erop dat vrouwelijke genitale verminking in Senegal bij wet verboden is en dat het mogelijk is om daartegen aangifte te doen. Dat het aantal strafvervolgingen beperkt is, betekent volgens de minister niet dat er geen bescherming kan worden ingeroepen. Daarbij verwijst de minister naar verschillende overheidsinstanties en nationale actieplannen die gericht zijn op het bestrijden van vrouwelijke genitale verminking, evenals op centra die vrouwen ondersteunen bij dreigende gedwongen uithuwelijking en/of vrouwelijke genitale verminking.
Oordeel van de Afdeling
3. Partijen zijn het erover eens dat het asielrelaas van appellant geloofwaardig is. In deze zaak ligt de vraag voor of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bescherming kan inroepen tegen dreigende vrouwelijke genitale verminking. Omdat de minister het bestaan van beschermingsmogelijkheden aan appellant heeft tegengeworpen, rustte op de minister namelijk de plicht om dit standpunt deugdelijk te motiveren. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft de minister dit naar het oordeel van de Afdeling niet gedaan.
3.1. De minister heeft in dit verband niet zonder meer aan haar besluit ten grondslag mogen leggen dat vrouwelijke genitale verminking in Senegal bij wet verboden is en dat er ook vervolging plaatsvindt. Appellant voert namelijk terecht aan dat uit de landeninformatie blijkt dat in Senegal bij dreigende vrouwelijke genitale verminking geen, of in elk geval nauwelijks, vervolging plaatsvindt. Hoewel de minister in hoger beroep verwijst naar enkele gevallen waarin daders en familieleden zijn veroordeeld voor vrouwelijke genitale verminking, baseert zij zich daarbij op een bron die slechts vijf gevallen noemt over de periode 2004 tot en met 2010. Dat biedt weinig inzicht in het totaal aantal aangiftes in die periode, terwijl het aantal strafvervolgingen in elk geval gering is in verhouding tot het grote aantal vrouwelijke genitale verminkingen sinds het verbod daarop in 1999. Bovendien is de verslagperiode niet recent en waren de opgelegde straffen laag en veelal voorwaardelijk. Dit duidt er niet op dat de Senegalese autoriteiten redelijke maatregelen tot voorkoming van vrouwelijke genitale verminking treffen, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn.
3.2. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat het mogelijk is om een beroep te doen op de bescherming van ngo’s. Uit de landeninformatie blijkt dat vrouwen die dreigen te worden besneden, voornamelijk zijn aangewezen op ngo’s. Echter, deze organisaties beperken zich grotendeels tot informatieverspreiding en bieden doorgaans geen langdurige materiële hulp. Daarnaast constateert de Afdeling dat de ngo’s waarnaar de minister in hoger beroep verwijst, kleinschalig en lokaal van aard zijn en bovendien vooral op minderjarigen gericht lijken. Met deze verwijzingen heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat appellant bij deze organisaties daadwerkelijk bescherming kan inroepen indien gerechtelijke vervolging uitblijft.
Ook het bestaan van overheidsinstanties en nationale actieplannen die gericht zijn op het bestrijden van gedwongen uithuwelijking en/of vrouwelijke genitale verminking, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft niet toegelicht dat deze inzet zich niet alleen beperkt tot voorlichtingscampagnes, maar ook daadwerkelijk voorziet in bescherming van vrouwen tegen dergelijke praktijken.
3.3. De rechtbank heeft tot slot ambtshalve ten onrechte gewezen op de mogelijkheid voor appellant om ter voorkoming van vrouwelijke genitale verminking bondgenootschappen te sluiten met vrouwenorganisaties, politie, religieuze leiders of districtsafgevaardigden. De Afdeling merkt op dat uit de landeninformatie volgt dat de kans van slagen van het inroepen van bescherming via dergelijke bondgenootschappen afhankelijk is van twee omstandigheden. De eerste omstandigheid gaat over de mate van sociale en financiële onafhankelijkheid van een vrouw. De tweede omstandigheid is het antwoord op de vraag of zij komt uit meer vindingrijke stedelijke gemeenschappen. Het is de Afdeling onduidelijk in hoeverre deze omstandigheden op appellant van toepassing zijn.
3.4. De grief slaagt.
Reikwijdte van de uitspraak
4. Zoals volgt uit wat de Afdeling heeft overwogen onder 3 tot en met 3.4 van deze uitspraak, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat appellant effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigende genitale verminking. De Afdeling heeft daarmee echter geen oordeel gegeven over de vraag of appellant bij terugkeer naar Senegal een reëel risico loopt op ernstige schade. Het is aan de minister om daar, mede gelet op het door haar geloofwaardig geachte asielrelaas, een standpunt over in te nemen.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. Wat appellant verder aanvoert behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 29 juni 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 augustus 2024 in zaak nr. NL24.27381;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 29 juni 2024, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026
938-1151