ECLI:NL:RVS:2026:516
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- V.V. Essenburg
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bescherming tegen vrouwelijke genitale verminking in Senegal
Appellant, een Senegalese vrouw, vroeg asiel aan vanwege de dreiging van gedwongen uithuwelijking en vrouwelijke genitale verminking door familieleden. De minister van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen bescherming kon inroepen van Senegalese autoriteiten of ngo’s.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde in hoger beroep vast dat de minister haar standpunt onvoldoende had gemotiveerd. De minister baseerde zich op het wettelijke verbod op vrouwelijke genitale verminking en enkele beperkte strafvervolgingen, maar dit bood onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke bescherming.
Ook de rol van ngo’s werd door de Afdeling kritisch beoordeeld; deze bieden vooral informatie en beperkte materiële hulp, en zijn kleinschalig en lokaal. De minister had niet aangetoond dat appellant daadwerkelijk bescherming kan inroepen bij deze organisaties. De rechtbank had bovendien onterecht gewezen op bondgenootschappen met lokale vrouwenorganisaties en autoriteiten zonder rekening te houden met sociale en financiële omstandigheden van appellant.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de minister de proceskosten aan appellant moet vergoeden. De Afdeling gaf geen oordeel over het reële risico bij terugkeer, maar stelde dat de minister dit opnieuw moet beoordelen.
Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de beschermingsmogelijkheden in Senegal.