ECLI:NL:RVS:2026:517
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod en vertrekopdracht Europese Unie door minister
Appellant werd bij besluit van 21 maart 2024 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 juli 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen zonder verdere nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens is bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 29 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vertrekopdracht en inreisverbod wordt bevestigd.