ECLI:NL:RVS:2026:525
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 9 oktober 2023 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 14 maart 2025 door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De griffier wees verzoeker bij brief van 23 december 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening, met een uiterste betaaldatum van 6 januari 2026. Verzoeker betaalde het griffierecht niet binnen deze termijn en gaf geen redenen voor het uitblijven van betaling.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 2 februari 2026 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.