ECLI:NL:RVS:2026:525

Raad van State

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002620
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 9 oktober 2023 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 14 maart 2025 door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De griffier wees verzoeker bij brief van 23 december 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening, met een uiterste betaaldatum van 6 januari 2026. Verzoeker betaalde het griffierecht niet binnen deze termijn en gaf geen redenen voor het uitblijven van betaling.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 2 februari 2026 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.

Uitspraak

BRS.25.002620
Datum uitspraak: 2 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2025 in zaak nr. NL25.13431 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 maart 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.        De griffier heeft verzoeker er bij brief van 23 december 2025 op gewezen dat hij voor het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 6 januari 2026 te betalen. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Verzoeker heeft geen redenen aangevoerd waarom het verzoek toch in behandeling moet worden genomen.
2.        Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026
977