AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening toelating 21+ opleiding wegens veiligheidszorgen en studievertraging
Verzoeker heeft het 21+ toelatingsonderzoek voor de lerarenopleiding Geschiedenis aan Fontys Hogeschool niet behaald en is door het college van beroep voor de examens (CBE) in beroep verworpen. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening om tijdens het beroep de opleiding te kunnen blijven volgen, met name om deel te nemen aan een examen op 30 januari 2026.
De directeur van Fontys heeft verzoeker de toegang tot onderwijsgebouwen en onderwijs ontzegd tot 1 september 2026 vanwege meerdere incidenten waarbij medewerkers en medestudenten zich onveilig voelden. Het college van bestuur heeft een verzoek om voorlopige voorziening tegen deze ontzegging afgewezen omdat verzoeker geen stageplek kan verkrijgen zonder verklaring omtrent gedrag, waardoor studievertraging onvermijdelijk is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks het spoedeisend belang, de belangenafweging uitwijst dat het belang van de veiligheid van medewerkers en medestudenten zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Bovendien is het behalen van vakken zonder stageplek niet mogelijk, waardoor deelname aan het examen geen onomkeerbare studievertraging voorkomt.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoeft het CBE geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om tijdens beroep de opleiding te kunnen volgen wordt afgewezen vanwege veiligheidszorgen en het ontbreken van een stageplek.
Uitspraak
202506209/2/A2.
Datum uitspraak: 29 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
het college van beroep voor de examens van Fontys Hogeschool (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de directeur van Fontys Educatie (hierna: de directeur) het resultaat van het 21+ toelatingsonderzoek van [verzoeker] vastgesteld op ‘Niet Behaald’.
Bij beslissing van 26 augustus 2025 heeft de directeur het verzoek van [verzoeker] om het toelatingsonderzoek versneld te herkansen, afgewezen.
Tegen deze beslissingen heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld.
Bij beslissing van 17 december 2025 heeft het CBE het administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep.
Het CBE heeft verweer gevoerd.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Behandeling van het verzoek
2. [verzoeker] heeft volgens de directeur een toelatingsonderzoek voor de lerarenopleiding Geschiedenis aan de Fontys Hogeschool niet behaald. [verzoeker] wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening te bereiken dat hij hangende het beroep de opleiding kan (blijven) volgen. Hij heeft bij e-mail van 28 januari 2026 aan de voorzieningenrechter laten weten dat op 30 januari 2026 een examen gepland is en onomkeerbare studievertraging ontstaat als hij daaraan niet kan deelnemen. Hij heeft gelet op deze spoed verzocht om een schriftelijke afhandeling van zijn verzoek. Het CBE heeft daarop bij e-mail van 28 januari 2026 gereageerd. Hieruit blijkt niet dat het CBE bezwaren heeft tegen de schriftelijke behandeling van het verzoek. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak zonder zitting.
Voorgeschiedenis
3. [verzoeker] voldoet niet aan de vooropleidingseisen van de opleiding en heeft een 21+ toelatingstoets van het instellingsbestuur, als bedoeld in artikel 7.29 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, afgenomen om de opleiding te kunnen volgen. [verzoeker] heeft tegen de uitslag van het toelatingsonderzoek administratief beroep ingesteld en het CBE verzocht om gedurende de behandeling daarvan hem het onderwijs te laten volgen, om studievertraging te voorkomen. Het CBE heeft hem bij wijze van voorlopige voorziening toegelaten tot de opleiding, totdat op zijn administratief beroep is beslist. Na zijn beslissing op het administratief beroep van 17 december 2025, heeft het CBE geweigerd om [verzoeker] nogmaals bij wijze van voorlopige voorziening toe te laten. Het CBE heeft daartoe gewezen op het volgende.
4. Naar aanleiding van meerdere incidenten met medewerkers en medestudenten heeft de directeur [verzoeker] bij beslissing van 5 december 2025 de toegang tot de onderwijsgebouwen en het onderwijs ontzegd tot 1 september 2026. Volgens de directeur voelden medewerkers en medestudenten zich niet veilig door gedragingen van [verzoeker]. Het college van bestuur (CvB) heeft op 16 december 2025 een verzoek van [verzoeker] om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen deze maatregel afgewezen. Het CvB heeft geconcludeerd dat [verzoeker] voor in ieder geval het behalen van de vakken van het eerste semester (30 ECTS) verplicht was om stage te volgen en daarvan bewijs in te dienen. Omdat [verzoeker] geen verklaring omtrent het gedrag (VOG) kan overleggen, heeft hij geen stageplek. Het is hierdoor uitgesloten dat hij met een voorlopige voorziening op tijd, namelijk eind januari, deze vakken zou kunnen behalen. Volgens het CvB is er daarom geen spoedeisend belang en heeft het daarom het verzoek in die zaak afgewezen.
Het verzoek en de beoordeling daarvan
5. In deze procedure gaat het om een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen de beslissing van het CBE over het 21+ toelatingsonderzoek van 17 december 2025. [verzoeker] wil deelnemen aan onder meer een examinering van 30 januari 2026 om onomkeerbare studievertraging te voorkomen. Hij voert aan dat toewijzing van het verzoek geen onomkeerbare gevolgen heeft voor het CBE en dat een tijdelijk karakter heeft. Verder is de ontzegging van de toegang een maatregel die gescheiden moet worden van zijn inschrijving en moet hij toegang hebben tot digitale voorzieningen. Volgens [verzoeker] valt de belangenafweging daarom uit in zijn voordeel.
5.1. De voorzieningenrechter kan, gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2. Daargelaten of sprake is van een spoedeisend belang, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Het CBE heeft er terecht op gewezen dat er zorgen zijn over de veiligheid van medewerkers en medestudenten en [verzoeker] om die reden de toegang is ontzegd tot 1 september 2026. Het laten deelnemen van [verzoeker] aan de examinering en laten gebruiken van voorzieningen van de instelling, zou deze maatregel doorkruisen. Bovendien heeft het CvB zich in de hiervoor besproken stukken gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [verzoeker] in elk geval studievertraging oploopt, omdat hij voor het behalen van vakken verplicht is om stage te lopen maar hij geen stageplek heeft. [verzoeker] heeft dus minder belang bij deelname aan een examinering van 30 januari 2026 en gebruik van voorzieningen van de instelling. Het belang van de veiligheid van de instelling weegt daarom zwaarder dan het belang van [verzoeker]. Reeds hierom bestaat er geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.
Conclusie
6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.