ECLI:NL:RVS:2026:538

Raad van State

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000387
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie wees op 29 oktober 2024 de aanvragen van betrokkenen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde op 22 december 2025 het beroep van betrokkenen gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek nodig is en dat de procedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van de grieven.

Gelet op de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan het vonnis van de rechtbank totdat het hoger beroep is beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000387
Datum uitspraak: 3 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025 in zaken nrs. NL24.45749 en NL24.45748 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], mede namens hun minderjarig kind
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 29 oktober 2024 heeft de minister de aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026
1021