ECLI:NL:RVS:2026:557

Raad van State

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
202407516/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 OpvangrichtlijnArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige grensdetentie

De minister van Asiel en Migratie legde betrokkene op 20 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 december 2024 de maatregel onrechtmatig verklaarde, de opheffing beval en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol wel een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn, waardoor de grensdetentie rechtmatig was. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond.

De Afdeling stelde ambtshalve de duur van de grensdetentie aan de orde en erkende dat de grensdetentie van 20 februari tot en met 14 maart 2025 onrechtmatig was. Voor deze periode kende zij betrokkene een schadevergoeding toe van € 2.300,00. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.868,00. Omdat de grensdetentie inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en een schadevergoeding toegekend voor de onrechtmatige grensdetentieperiode.

Uitspraak

202407516/1/V3.
Datum uitspraak: 3 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47658 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.M. Volwerk, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en betrokkene hebben nadere stukken ingediend en op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkene heeft hierop gereageerd.
Overwegingen
Beoordeling van het hoger beroep
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Er zijn geen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       De Afdeling heeft de duur van de grensdetentie ambtshalve aan de orde gesteld. De minister heeft erkend dat de grensdetentie van 20 februari 2025 tot en met 14 maart 2025 onrechtmatig was en daarvoor schadevergoeding aangeboden. De Afdeling ziet ambtshalve geen aanleiding om de grensdetentie vanaf een eerdere datum dan 20 februari 2025 onrechtmatig te achten.
Conclusie beroep
4.       Het beroep is gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Betrokkene heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan betrokkene toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag,
zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47658;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 2.300,00 over de periode van 20 februari 2025 tot en met 14 maart 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026
1017