ECLI:NL:RVS:2026:559
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijke ongegrondheid
Appellant heeft bij besluit van 16 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 maart 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling ziet geen noodzaak tot nadere motivering omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt afgewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel en verklaart het hoger beroep ongegrond.