202401456/1/R3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Alblasserdam,
2. [appellant sub 2], wonend in Alblasserdam,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Alblasserdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Oost Kinderdijk nabij 9" (in de planregels aangeduid als: "Alblasserdam, nabij Oost Kinderdijk 9") vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 202401456/3/R3 behandeld op een zitting op 13 januari 2026, waar voor [appellant sub 1] en anderen [appellant sub 1], [twee appellanten], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. W. Koster, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. van Bruggen, vergezeld door R. Boot, zijn verschenen. Verder is [belanghebbende], vergezeld door [twee personen], op de zitting als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt op initiatief van [belanghebbende] een appartementengebouw met vijf woningen op het perceel nabij Oost Kinderdijk 9 in Alblasserdam, op de hoek van de Oost Kinderdijk en de Touwbaan (de locatie), mogelijk. Voorheen had de locatie de bestemming "Tuin". Aan weerszijden van het voorziene gebouw is aan gronden de bestemming "Groen" toegekend. Aan de voorkant bij de Oost Kinderdijk is aan een strook grond de bestemming "Verkeer" toegekend. Aan de achterkant behoudt de grond de bestemming "Tuin". [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wonen aan de Touwbaan. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen.
Ontvankelijkheid
3. [belanghebbende] betwist dat [appellant sub 1] en anderen, zichzelf noemend "Bewonersgroep Touwbaan", en [appellant sub 2] belanghebbenden zijn. De bewonersgroep heeft geen juridische status. Verder gaat het volgens hem om bewoners van de Touwbaan die veelal op ruime afstand van het plangebied wonen.
3.1. [appellant sub 1] heeft mede namens "bewonersgroep Touwbaan" beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Zoals [appellant sub 1] heeft bevestigd, heeft de bewonersgroep geen formele status. Hij heeft beoogd mede beroep in te stellen namens andere natuurlijke personen, vermeld op de ingezonden machtiging.
3.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.3. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ingesteld door en namens verschillende bewoners van de Touwbaan. Van deze bewoners staat de dichtstbijzijnde woning op een afstand van minder dan 50 m van het plangebied. [appellant sub 2] woont aan de Touwbaan [huisnummer], op een afstand van ongeveer 130 m van het plangebied. Zoals op de zitting naar voren is gekomen, is de Touwbaan een doodlopende straat die (voor gemotoriseerd verkeer) alleen is ontsloten via de Oost Kinderdijk, direct naast het plangebied. Gelet hierop zijn de mogelijk gemaakte ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op de leefomgeving van ten minste een deel van de bewoners namens wie het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ingesteld, en op de leefomgeving van [appellant sub 2]. Het gaat daarbij om gevolgen van enige betekenis. Zij kunnen daarom als belanghebbenden worden aangemerkt. De beroepen zijn daarom in elk geval in zoverre ontvankelijk, zodat de Afdeling toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Intrekking beroepsgrond
5. Op de zitting heeft [appellant sub 2] de beroepsgrond over de gevolgen van het plan voor het beschermd dorpsgezicht ingetrokken.
Motieven voor vaststellen plan
6. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad het bestemmingsplan op oneigenlijke gronden heeft vastgesteld. Zij wijzen op het eerdere besluit van de raad van 21 december 2021 en 1 februari 2022 om het plan juist niet vast te stellen vanwege ruimtelijke bezwaren. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] heeft de raad dat besluit ten onrechte ingetrokken op aandringen van het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, zonder de beoordeling door de Afdeling van het beroep van [belanghebbende] tegen dat besluit af te wachten. Zij voeren aan dat de raad het bestemmingsplan niet op grond van ruimtelijke motieven, maar louter op grond van financiële motieven alsnog heeft vastgesteld, uit vrees voor een schadeclaim van [belanghebbende]. De aanvankelijk onderkende ruimtelijke bezwaren bestaan nog steeds, en zijn door de raad onvoldoende betrokken bij het besluit om het bestemmingsplan alsnog vast te stellen, aldus [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2].
6.1. De raad heeft toegelicht dat het college na de aanvankelijke weigering om het bestemmingsplan vast te stellen meende dat dit weigeringsbesluit in rechte geen stand zou kunnen houden, omdat het geen motivering bevatte waaruit bleek welke ruimtelijke afweging daaraan ten grondslag lag. Daarop heeft het college de raad in een nieuw raadsvoorstel gewezen op een ontvangen aansprakelijkheidsstelling door [belanghebbende] en in overweging gegeven om het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in te trekken en het plan opnieuw in procedure te brengen. De raad heeft daarmee ingestemd. Na de nieuwe terinzagelegging van het ontwerpplan heeft het college de raad voorgesteld om het plan alsnog vast te stellen op basis van de ruimtelijke afweging die aan het oorspronkelijke raadsvoorstel ten grondslag lag en met inachtneming van de reactie op de ingekomen zienswijzen over het ontwerp. De raad heeft unaniem besloten om het plan overeenkomstig het raadsvoorstel alsnog vast te stellen.
6.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad niet gehouden is om vast te houden aan een eenmaal genomen besluit om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Het staat de raad op zichzelf vrij om een andersluidend besluit te nemen als hij daar aanleiding toe ziet. Dit geldt niet alleen in gevallen waarin de raad meent dat het oorspronkelijke besluit in rechte niet houdbaar is, maar ook in geval van gewijzigde inzichten of standpunten. Dat er in dit geval beroep bij de Afdeling aanhangig was tegen het oorspronkelijke besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen, hoefde voor de raad geen belemmering te vormen om dat besluit in te trekken en een andersluidend besluit te nemen.
6.3. In de plantoelichting is ingegaan op de ruimtelijke aspecten van het bestemmingsplan en op hoe de ruimtelijke belangen zijn gewogen. Verder heeft de raad zowel de Nota van Zienswijzen uit 2021, waarin is ingegaan op de zienswijzen over het oorspronkelijk ter inzage gelegde ontwerpplan, als de Nota van Zienswijzen uit 2023, waarin is ingegaan op de zienswijzen die over het opnieuw ter inzage gelegde ontwerpplan zijn ingediend, vastgesteld. Ook hierin komt de weging van de ruimtelijke belangen aan de orde. Mede gelet hierop duidt de omstandigheid dat de raad ook is gewezen op de aansprakelijkheidsstelling door [belanghebbende] in verband met het aanvankelijke besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen, er niet op dat aan de vaststelling van het bestemmingsplan geen ruimtelijke overwegingen ten grondslag liggen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zich er voor het overige tegen keren dat de raad om voor hen onduidelijke redenen op voorstel van het college een ander standpunt heeft ingenomen over de aanvankelijke ruimtelijke bezwaren die hij tegen het plan had, overweegt de Afdeling dat interne besluitvorming van de raad in deze procedure niet aan de orde kan komen.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting groen
7. [appellant sub 2] betoogt dat het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het voorheen aanwezige groen op de locatie. Hij voert aan dat op het perceel voorheen acht esdoorns aanwezig waren die zijn gekapt zonder op dat moment geldige kapvergunning van het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam. Aan de later alsnog verleende kapvergunning is een herplantplicht verbonden die volgens [appellant sub 2] geen stand zal kunnen houden in de nog lopende gerechtelijke procedure tegen die vergunning. Dit omdat deze herplantplicht voorziet in herplant van kleinere bomen en op een andere plek die, vanaf de weg gezien, meer naar achteren ligt en zo in onvoldoende mate een equivalent vormt voor wat verloren is gegaan. Volgens hem had de herplant van esdoorns moeten worden voorgeschreven op precies dezelfde plek als waar de esdoorns gekapt zijn. Dat is de plek waarop in het bestemmingsplan het appartementengebouw mogelijk wordt gemaakt (de bouwlocatie). De raad had volgens [appellant sub 2] moeten inzien dat het bestemmingsplan in zoverre niet uitvoerbaar is.
Ook verder is de aantasting van het groene karakter van het perceel volgens [appellant sub 2] in strijd met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 2] wijst erop dat het plangebied volgens de Structuurvisie Alblasserdam 2040 ligt in een rustig groen leefmilieu. Het perceel zal na het realiseren van het appartementengebouw niet langer de eerdere belangrijke bijdrage aan het groene karakter van de omgeving leveren. Met name het zicht vanaf de Oost Kinderdijk en de hoek van de Touwbaan wordt aangetast. Het bij het bestemmingsplan behorende inrichtingsplan voorkomt dat onvoldoende, aldus [appellant sub 2].
7.1. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat dat er acht esdoorns moeten worden gekapt, maar dat deze worden vervangen door nieuwe esdoorns in de directe omgeving van het plangebied. Een aanwezige plataan blijft behouden. Verder worden vijf leilindes aan de kant van de Oost Kinderdijk vervangen door vijf nieuwe leilindes met een grote maat. Met deze maatregelen blijft de groene uitstraling van de Oost Kinderdijk volgens de plantoelichting behouden.
7.2. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen omdat hij er rekening mee moest houden dat het college gehouden was om in de aangevochten kapvergunning alsnog herplant op de bouwlocatie voor te schrijven, gaat het om de uitvoerbaarheid van het plan. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan op voorhand niet uitvoerbaar is. Zo'n situatie doet zich hier niet voor. De raad mocht betekenis toekennen aan de door het college verleende kapvergunning voor de kap van de bomen op de bouwlocatie, met een herplantplicht voor elf bomen op een locatie naast het plangebied op een afstand van 30 tot 40 m van de gekapte acht bomen. De enkele omstandigheid dat tegen die kapvergunning een gerechtelijke procedure liep, betekende nog niet dat de raad op voorhand had moeten inzien dat die kapvergunning in rechte geen stand zou kunnen houden. Niet gesteld of gebleken is dat de geldende regelgeving of het geldende beleid in dit geval concreet het opleggen van een herplantplicht voorschreef die was gericht op het terugbrengen van de oorspronkelijke situatie op de bouwlocatie, zoals [appellant sub 2] voorstaat. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het de raad op voorhand duidelijk moest zijn dat de mogelijk gemaakte bouw op de bouwlocatie in verband met de aangevochten herplantplicht niet uitvoerbaar is.
7.3. Uit de Structuurvisie volgt niet dat binnen gebieden die vallen onder "rustig groen leefmilieu" op een zekere locatie waar groen aanwezig is, geen bouw kan worden toegestaan. Ook voor het overige bestaat geen grond voor het oordeel dat de mogelijk gemaakte bouw tot een zodanige aantasting van de groene uitstraling van het plangebied leidt, dat dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. De raad mocht belang toekennen aan het initiatief om nieuwe woningen te realiseren dat met het plan mogelijk wordt gemaakt. Verder heeft de raad zich rekenschap gegeven van de groene uitstraling van het plangebied. De bouwlocatie grenst aan drie kanten aan de bestemming "Groen" of "Tuin". Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht, is binnen deze bestemmingen minder aan bebouwing en verharding mogelijk dan binnen de voorheen geldende bestemming "Tuin", waardoor behoud van het groene karakter op deze gronden om de bouwlocatie heen beter is gewaarborgd. Verder is de raad uitgegaan van de door het college voorgeschreven herplant op korte afstand van de bomen die voorheen op de bouwlocatie aanwezig waren. De raad mocht zich op grond hiervan op het standpunt stellen dat de groene uitstraling van het plangebied in voldoende mate behouden blijft. Hierbij hoefde de raad zich er niet van te vergewissen dat het zicht op het groen vanaf alle plaatsen langs de Oost Kinderdijk en de Touwbaan onverminderd behouden blijft.
Het betoog slaagt niet.
Handhaving zienswijze
8. Voor zover [appellant sub 1] en anderen hun zienswijze over het ontwerpplan bij hun beroepschrift hebben gevoegd en naar voren hebben gebracht dat zij de daarin genoemde ruimtelijke bezwaren handhaven, overweegt de Afdeling dat de raad in de twee vastgestelde Nota's van zienswijze op die zienswijzen is ingegaan. [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de reactie op de zienswijzen onjuist of onvolledig zou zijn.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond.
10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
11. Van [appellant sub 1] en anderen is het griffierecht geheven dat op grond van artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb wordt geheven als het beroep anders dan door een natuurlijke persoon is ingesteld. Zoals de Afdeling hiervoor onder 3.1 heeft overwogen, is dat beroep ingesteld door natuurlijke personen. De Afdeling zal daarom bepalen dat het teveel betaalde griffierecht aan hen wordt terugbetaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen ongegrond;
II. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep teveel betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
727