ECLI:NL:RVS:2026:571

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002675
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan

Verzoeker, een gemeenschapsonderdaan, kreeg bij besluit van 16 januari 2024 te horen dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland. Hiertegen maakte hij bezwaar dat op 1 oktober 2024 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 28 november 2025 het besluit deels vernietigde en het beroep voor het overige ongegrond verklaarde.

Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek daarom af.

De voorzieningenrechter bepaalde tevens dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 4 februari 2026 door mr. J.Th. Drop, in aanwezigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

BRS.25.002675
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2025 in zaak nr. NL24.42290 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat verzoeker geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin is beslist dat verzoeker zich naar Polen moet begeven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Uit het onderzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1125-918