ECLI:NL:RVS:2026:587

Raad van State

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202404021/4/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:37 AwbArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen staatsraden wegens vermeende partijdigheid bij verzetprocedure

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen zes staatsraden die betrokken zijn bij de behandeling van zijn verzetprocedure. Verzoeker stelde dat de staatsraden partijdig zouden zijn omdat zij het verzet op een zitting behandelden, terwijl hij had verzocht dit zonder zitting te doen vanwege het evidente karakter van zijn verzet.

De wrakingskamer overwoog dat drie van de staatsraden geen betrokkenheid hadden bij de verzetprocedure, zodat het wrakingsverzoek tegen hen reeds om die reden moest worden afgewezen. Ten aanzien van de andere drie staatsraden werd geoordeeld dat de beslissing om het verzet op een zitting te behandelen een procesbeslissing is, die niet kan leiden tot wraking tenzij er sprake is van zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid.

De wrakingskamer vond geen aanwijzingen voor partijdigheid en wees het verzoek daarom af. Tevens werd ingegaan op de wijze van uitnodiging voor de wrakingszitting, waarbij werd vastgesteld dat de bestuursrechter bevoegd is af te wijken van de voorgeschreven aangetekende brief, en dat verzoeker de mogelijkheid had om digitaal deel te nemen aan de zitting, maar hiervan geen gebruik maakte.

De beslissing werd mondeling gegeven op 3 februari 2026 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de staatsraden wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

202404021/4/A3.
Datum beslissing: 3 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op een verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Awb.
Procesverloop
Bij e-mailbericht, ingekomen op 23 januari 2026, heeft [verzoeker] in de procedure van de zaak nr. 202404021/4/A3 verzocht om wraking van de staatsraden mr. E.J. Daalder, mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, dan wel de staatsraden mr. C.J. Borman, mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer.
De staatsraden Daalder, Den Ouden en Willems hebben niet in de wraking berust. Daarbij hebben zij erop gewezen dat zij niet bij deze procedure betrokken te zijn en hebben zij verder aangegeven dat ook op de website van de Raad van State is vermeld dat het verzet van [verzoeker] wordt behandeld door de staatsraden mr. C.J. Borman, mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer.
Desgevraagd hebben de staatsraden Borman, Lange en Meijer aangegeven evenmin in de wraking te berusten en hebben zij aangegeven dat de enkele omstandigheid dat het verzet op zitting wordt behandeld niet getuigt van vooringenomenheid.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op een zitting op 3 februari 2026 aan de orde gesteld. [verzoeker] en zijn gemachtigde, T.A. Knijp LLM, advocaat te Middenmeer, en de gewraakte staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Beslissing
De Afdeling wijst het verzoek om wraking af.
Overwegingen
Uitnodiging wrakingszitting
1.       [verzoeker] heeft erop gewezen dat de uitnodiging voor de wrakingszitting ten onrechte per email is verzonden, nu artikel 8:37, eerste lid Awb, bepaalt dat dit bij aangetekende brief geschiedt. De wrakingskamer wijst erop dat de bestuursrechter op basis van diezelfde bepaling de bevoegdheid heeft anders te bepalen. Daarvoor was in dit geval aanleiding, gelet op de korte duur tot de geplande behandeling van het verzet op de zitting van 3 februari 2026 om 15:15 uur.
2.       [verzoeker] heeft er verder op gewezen dat van hem niet kan worden gevergd dat hij op zo’n korte termijn afreist naar Den Haag. De wrakingskamer wijst erop dat in de uitnodiging voor de wrakingszitting wordt gewezen op de mogelijkheid digitaal aan de zitting deel te nemen. Een verzoek daartoe van [verzoeker] is evenwel niet ontvangen.
Gronden voor wraking
3.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.       [verzoeker] heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de gewraakte staatsraden ten onrechte hebben besloten om het ingestelde verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2025, waarbij het herzieningsverzoek van [verzoeker] buiten zitting is afgewezen, op een zitting te behandelen. Hieruit zou vooringenomenheid blijken, omdat [verzoeker] heeft verzocht het verzet, gelet op het evidente karakter, zonder zitting gegrond te verklaren.
5.       De wrakingskamer overweegt hierover het volgende.
6.       Voor zover het wrakingsverzoek ziet op de staatsraden Daalder, Den Ouden en Willems stelt de wrakingskamer vast dat zij geen bemoeienis hebben bij de verzetprocedure van [verzoeker]. Dit is ook niet door [verzoeker] weersproken, zodat het wrakingsverzoek voor zover dat ziet op deze staatsraden reeds om die reden moet worden afgewezen.
7.       De beslissing van de staatsraden Borman, Lange en Meijer om het verzet van [verzoeker] op een zitting te behandelen betreft een procesbeslissing. In de wrakingsprocedure wordt niet beoordeeld of procesbeslissingen juist zijn. Daar is het middel van wraking niet voor bedoeld. Zulke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, als deze op zich of in onderlinge samenhang bezien, of in samenhang met het verdere optreden van de staatsraad of staatsraden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid van de staatsraad die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen. Daarvan is de Afdeling in dit geval niet gebleken. Dit betekent dat het wrakingsverzoek, voor zover gericht tegen deze staatsraden, eveneens moet worden afgewezen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Van Ewijk
griffier